Fijnoog*

‘De Schepper heeft vergeten jou talenten te geven. Jouw broer, die bezit ze wel. Jouw broer kan goed werken, goed nadenken, goed zaken doen, die komt er wel’, zei zijn vader. ‘Maar jij, Fijnoog, jij kijkt alleen maar rond en doet verder niets.’ En inderdaad, Fijnoogs vader had gelijk. Fijnoog werkte niet hard. Hij deed niets liever dan kijken. Urenlang kon hij zitten te kijken naar de wolken met hun vreemde vormen, naar de ijverige pootjes van een bromvlieg of het gedoe van de mieren in het zand. Geen wonder dat zijn vader hem het huis uitjoeg met de woorden: ‘Jij kost me alleen maar geld. Jij hebt nergens talent voor.’

Fijnoog ontmoette een scheepsbouwer die een knecht nodig had. Fijnoog ging bij hem aan de slag. Maar het duurde nog geen dag of hij werd ontslagen omdat hij alleen maar oog had voor de meeuwen boven het water. Daarna probeerde hij het als boerenknecht. Maar ook de boer ontsloeg hem binnen een dag. Fijnoog had niet het talent met de dieren te werken, alleen om naar hen te kijken.

Het leek erop dat het slecht met Fijnoog zou aflopen. Dat begreep hij zelf ook wel. Met een somber gezicht zat hij op een bankje rond te kijken, toen er een man naast hem kwam zitten. Deze vertelde hem over een kasteel. Het spookte daar. Niemand durfde dat kasteel binnen te gaan. En dat terwijl er een grote goudschat verborgen moest liggen. De man vertelde dat de koning een grote beloning had uitgeloofd voor wie een nacht in het kasteel zou durven door te brengen.

Daarop besloot Fijnoog maar eens een praatje te gaan maken met de koning. Hij vroeg hem naar de beloning als hij een nacht in het spookkasteel zou doorbrengen. De koning antwoordde: ‘Je zult met de prinses mogen trouwen en het kasteel in bezit krijgen. Maar vergeet niet dat al tientallen jongemannen het hebben geprobeerd. Nog nooit is er één teruggekeerd.’

Fijnoog waagde het erop. Tegen de avond betrad hij het kasteel. Hij maakte een vuur om zich te warmen en wachtte op de dingen die komen gingen. Niet lang erna klonk er een luid gestommel. Er naderde een vreselijk gedrocht met vier handen vol reuzenvingers en acht benen met reuzentenen. Het bulderde tot Fijnoog: ‘Ik zal je opvreten, ellendig mensenkind!’ Fijnoog antwoordde: ‘Ik zie dat u mank loopt. Ik zie ook dat er een splinter in één van uw voeten zit. Dat moet de oorzaak zijn. Het gedrocht mompelde dat als je acht voeten hebt er al gauw iets met je voeten is. Hij probeerde de splinter eruit te halen maar zijn reuzenvingers waren te grof. Daarop pakte Fijnoog een pincet en haalde de splinter er voorzichtig uit. ‘Dank je’, bromde het gedrocht. ‘Omdat je zag wat mij pijnigde en me hielp, zal ik je sparen.’

Het gedrocht was nog maar net vertrokken of er verscheen een slang. Sissend kwam hij op Fijnoog af. Hij stond op het punt om met zijn grote groene giftanden toe te bijten, toen Fijnoog zei: ‘Wacht nog even. Wat een prachtige tekening en kleuren hebt u op uw rug. Zo’n mooie slang heb ik nog nooit gezien. Laat me er even van genieten.’ De slang glimlachte en kronkelde ijdel met zijn lijf. ‘Omdat jij de eerste bent die ziet hoe mooi ik ben, zal ik je laten leven’, siste de slang en gleed weg.

De nacht was al ver gevorderd toen er een grote zwarte gedaante verscheen. Hij tilde Fijnoog met één hand op en bromde: ‘Jij komt zeker ook voor de schat waar ik elke nacht naar zoek? Maar ik duld geen andere schatzoekers.’ De donkere reus tilde Fijnoog nog verder omhoog om hem op de grond te pletter te kunnen laten vallen. Maar Fijnoog zei: ‘Heer, nu u mij zo hoog hebt opgetild, zie ik tussen de spleten van het dak iets glinsteren. Misschien ligt daar de goudschat die u zoekt.’ De reus zette hem neer en onderzocht het dak. Daar vond hij na honderden jaren zoeken de schat. Hij was zo blij dat hij Fijnoog de helft ervan gaf en zelf met de andere helft verdween.

Niet lang daarna trouwde Fijnoog met de prinses en ging met haar wonen op het kasteel. En wat Fijnoog daar doet? Hij doet waar hij goed in is: de hele dag zit hij er aandachtig rond te kijken. Zijn vader komt hem nu regelmatig opzoeken maar zegt nooit meer dat de Schepper Fijnoog geen groot talent heeft gegeven.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 108-110)