Erbij

Het is altijd druk in de bijenkorf. Er moet van alles worden gebouwd. Er moet van alles worden gedaan. Er moet van alles worden geregeld. Kortom, er moet van alles. Bijen zijn altijd bezig. Bezige bijen, dat zijn het.

Nu is niet iedere bij even bezig. Er zijn babybijen. Tja, die doen niet zo veel. Een beetje huilen, gelukkig ook een beetje lachen. Hun luiers volpoepen. Al weet ik eigenlijk niet of babybijen luiers dragen. En ook niet of ze huilen of lachen. Nou ja, heel veel doen ze niet.

Maar als babybijen kleuterbijen worden, leren ze al om bezig te zijn. Bezige kleuterbijen die met honing dingetjes moeten maken: beeldjes, bordjes, balletjes. Allemaal van honing, omdat ze later van alles met honing moeten doen.

Als die kleuterbijen jongens- en meisjesbijen worden, moeten ze naar de bezige bijenschool. Daar leren ze van alles over honing. Over heidehoning, klaverhoning, bloemenhoning, rozenhoning en nog veel meer. Ook leren ze over het land van melk en honing en over honingzoete woorden, die trouwens zo zoet niet zijn. Maar dat is weer een ander verhaal.

Als die jongens- en meisjesbijen van school af zijn, ja dan komt het echte bijenwerk. Dan moeten ze naar buiten, naar de bloemen. Want de bloemen en de bijtjes horen bij elkaar. In de bloemen zit honing en die moeten de honingbijen naar de bijenkorf brengen. Ze zijn er heel erg mee bezig. Van vroeg tot laat en zelfs nog een beetje vroeger en later.

Na een lang leven zijn de bijen oud. Ze leven van de lente tot de herfst en worden dus wel zes maanden oud. Als ze oud zijn dan kunnen ze niet veel meer. Dan mogen ze met een wandelstok lopen en op een bankje zitten.

Nu was er ooit een oude bij die daar moeite mee had. Heel zijn leven was hij een bezige bij geweest. Nu vond hij zichzelf een bij die er maar een beetje bij hing. ‘Ik wil wat doen’, zei hij. ‘Wat wil je dan?’ vroegen de jonge bijen. ‘Van alles.’ ‘Maar wat kan je dan?’ vroegen de jonge bijen. Toen werd het stil en de oude bij begon te wenen. Met dikke tranen die allemaal aan zijn harige vachtje en zijn angel bleven hangen. ‘Ik kan niets, ik ben nutteloos,’ weende hij. Er kwam een jong bij naar voren en zei: ‘Je bent niet nutteloos. Je bent juist een bijzondere bij. Want je bent erbij. En dat is genoeg. We zouden je niet graag missen.’ ‘Is het heus?’ vroeg de oude bij. ‘Het is heus,’ antwoorden alle bijen. En ze zeiden er nog iets achteraan: ‘Wis en waarachtig.’ Wat dat betekende, wisten ze niet, maar het klonk heel mooi.

Voortaan heetten oude bijen ‘erbijen’. En het is heel gelukkig dat die erbij zijn, bij ons.