De vraag van het konijn*

Het konijn sprong met deftige sprongetjes naar de echoput. Hij was zich bewust van zijn waardigheid. Was hij niet één van de belangrijkste dieren van veld en bos? Kon er iemand beter holen graven dan hij? Het konijn wist wie hij was: een knaagdier van stand. Dat wilde hij ook graag horen. ‘Uil, wie ben ik? Zeg dat eens,’ vroeg het konijn. ‘Ahum,’ schraapte de uil zijn keel, ‘dat is geen eenvoudige vraag. Ik zou het eens in één van mijn dikke boeken moeten opzoeken. Maar voor zover ik weet ben jij in elk geval een knaagdier en een holengraver.’ ‘Dankjewel, uil.’ Maar het konijn was teleurgesteld. Was dat alles? Had de uil niet door dat hij een knaagdier van stand was, een holengraver eerste klas?

Het konijn passeerde de oude wijze echoput. Het konijn boog zich voorover en riep in de put: ‘Wie ben ik?’ Even was de put stil. Toen antwoordde de echoput: ‘Aatsel, aatsel.’ Het konijn keek heel vreemd. ‘Aatsel?’ Wat bedoelde de put met dat vreemde antwoord? Was een ‘aatsel’ heel voornaam? Of juist niet? Teleurgesteld ging het konijn verder en mompelde: ‘Ik wil het horen wie ben ik!’

Gelukkig kwam daar vriend specht aan gevlogen. Hij ging zitten op de tak van een boom. Het konijn riep omhoog: ‘Hé, vriend, zeg jij nou eens wie ik ben!’ ‘Tja,’zei de specht,  hij zette zijn bril eens recht en vervolgde: ‘konijn, jij bent mijn langorige vriend, de aardigste huppelaar die ik ken.’ Het konijn vond de woorden van de specht wel vriendelijk. Maar zag hij dan niet dat hij niet alleen maar een aardige langorige huppelaar was, maar ook een deftige, edele huppelaar?

Plotseling kwam de vos eraan. Hij glimlachte: ‘Wat zie je er goed uit, konijntje. Jij gaat mij vast een leuke dag bezorgen.’ Het konijn lette niet op de woorden van de vos. ‘Vos, jij bent toch heel slim, niet? Ik heb een vraag: wie ben ik eigenlijk?’ De vos lachte weer: ‘Jij bent een lekker ding!’ Op dat moment wilde de vos het konijn bespringen, maar gelukkig pikte de specht, die het gevaar had gezien, in de staart van de vos. Van schrik maakte de vos een grote sprong over het konijn heen. Het konijn maakte dat het wegkwam. ‘Poeh, een lekker ding. Voor de vos ja. Maar verder? Wie ben ik toch?’ Het konijn begon steeds meer te twijfelen aan zichzelf.

Het konijn trok verder door het bos en stelde ieder die hij tegenkwam zijn vraag. Tot zijn verbazing en teleurstelling kreeg hij steeds een ander antwoord. Een meisje vond hem een leuk knuffeldier. Dat was aardig. De rivier vond hem een heel knap dier omdat hij zwemmen kon. Dat was tenminste iets. Maar de boer vond hem een schadelijk dier omdat hij van de kool en de wortels op het land vrat. Dat was niet leuk om te horen. Een boom vond hem een vreemde plant omdat hij geen bladeren had. Daar moest het konijn lang over na denken.

Het deftige konijn passeerde weer de oude wijze echoput. Maar hij sprong niet meer zo statig. Meer een beetje weifelend en twijfelend. De put vroeg hem: ‘Weet je het al wie je bent?’ ‘Ik heb allemaal verschillende antwoorden gehoord,’ antwoordde het konijn. ‘Ik weet het geloof ik niet meer. Ik ben een raadsel.’ De echoput lachte en knikte instemmend. En omdat hij geen ‘ja’ zeggen kon, antwoordde hij: ‘Aatsel, aatsel’.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 49-50)