De vraag van de eekhoorn

De eekhoorn poetste nog eens zijn staart op. Dat deed hij drieënvijftig keer per dag. En hij deed het graag, want onder het staartpoetsen kon hij goed nadenken. Terwijl hij aan het poetsen was, kwam er een vraag in hem op: ‘Wie ben ik eigenlijk?’ Hij dacht er even over na en hield op met poetsen. Hij was gewend dat hij de meeste vragen wel kon beantwoorden. Maar deze niet.

Er kwam juist een sprinkhaan langs gesprongen. ‘Sprinkhaan, wacht even, ik moet je iets vragen. Wie ben ik eigenlijk?’ De sprinkhaan dacht even na: ‘Jij bent een springer. Jij springt van tak naar tak. Dat is heel goed, want ik spring ook. Geen mooier vak dan springen.’ Terwijl de sprinkhaan weg hipte, dacht de eekhoorn na. ‘Een springer?’ Was dat alles?

Er kwam een vos langs. ‘Vos, vertel eens, we ben ik eigenlijk?’ vroeg de eekhoorn. De vos hoefde niet lang na te denken: ‘Jij bent een lekker dier.’ ‘O ja?’ lachte de eekhoorn gestreeld. ‘Vertel eens, vos, waarom precies vind je mij een lekker dier?’ De vos opende zijn bek, niet om antwoord te geven maar om hem op te vreten. Gelukkig herinnerde de eekhoorn zich net op tijd dat hij een springer was en hij sprong weg voor de vos.

De eekhoorn was erg geschrokken. Hij klom gauw in een boom. ‘Boom, zeg jij eens wat, wie ben ik?’ De boom krabde met een paar takken over zijn kruin. ‘Ik zou zeggen dat jij een boomverschrikker bent.’ ‘Wat ben ik?’ vroeg de eekhoorn. ‘Een boomverschrikker,’ zei de boom, ‘elke keer als ik lekker sta te slapen, spring jij ineens op mij en dan schrik ik me het ongeluk. Waarom denk je dat mijn bladeren groen zijn? Die zijn groen van schrik. Allemaal door jou.’ ‘Het spijt me,’ zei de eekhoorn. Dat heb ik nooit geweten. Voorzichtig sprong hij naar een andere boom.

De eekhoorn kreeg dorst van al dat gepraat. Hij ging naar een put om wat te drinken. Die put was niet zomaar een put, het was een echoput. Een oude wijze echoput zelfs. Nadat de eekhoorn wat water had gedronken uit de put, besloot hij om zijn vraag ook aan de put te stellen: ‘Echoput, wie ben ik?’ ‘Onder’, antwoordde de echoput. De eekhoorn keek vreemd, verstoord en boos: ‘Onder? Je moet echoën. Als ik vraag: “Wie ben ik?” moet jij zeggen: “En ik.” Dat is echoën.’ ‘Dat doe ik ook, antwoordde de echoput. Maar ik echo alleen de woorden van de hemel.’ ‘Weet de hemel dan wie ik ben?’ vroeg de eekhoorn. ‘Onder,’ antwoordde de echoput. De eekhoorn snapte het nog niet. ‘Luister dan goed! Onder!’ zei de echoput. De eekhoorn werd heel stil en toen hoorde hij het, heel zacht: ‘Een wonder. Een wonder.’ De eekhoorn begon te lachen: ‘Ben ik... een wonder?’

Hij voelde zich ineens heel deftig. Of nee, niet deftig... eerder gelukkig.