De koning die een snor had en nog wat

Er was eens een koning die een snor had. Dat was bijzonder. Maar nog bijzonderder was dat hij nogal bescheiden was. Hoe ik dat weet? Omdat hij nooit op zijn troon ging zitten, maar op een krukje ernaast.

De koningin zei elke ochtend: ‘Geliefde gemaal, zet u aanstonds neder op uwen troon.’ Je hoort al, dat was een deftige koningin, want ze zei niet gewoon: ‘Lieve man van me, ga nu eens lekker op je troon zitten.’ Maar de koning was nogal bescheiden en deed helemaal niet deftig. ‘Nee,’ zei hij, ‘dat kan ik niet, ik kan niet op de troon zitten.’

De hoogste lakei zei elke middag: ‘Mijne hoogheid, moge u gezeten zijn op uw koninklijke zetel.’ Je hoort al dat die lakei haast nog deftiger was dan de koningin, want hij zei ook niet gewoon: ‘Beste koning, ga nu eens lekker op uw troon zitten.’

De hoogste minister van het land zei elke avond: ‘Doorluchtige majesteit, moge uw edele achterwerk de kussens van de gouden troon beroeren.’ Je hoort al dat die minister nog veel deftiger was dan de koningin en de lakei.

Maar de koning deed het niet, want hij was, zoals ik al zei, nogal bescheiden. Hij hield helemaal niet van zitten. Hij deed liever wat. Zoals naar de rivier gaan en daar een brug over bouwen. Met zijn eigen handen. Je begrijpt, die koning was dan wel nogal bescheiden maar ook erg handig. Of als de vijand optrok naar het land en de vrijheid bedreigde, dan stroopte hij zijn mouwen op en sloeg ze terug naar hun eigen land. Je hoort het, die koning was dan wel nogal bescheiden, maar hij was geen lieverdje. Of als er honger in het land was, dan liep hij naar de schatkamer, haalde er een kist goud uit en kocht ergens anders eten voor de mensen. Lekker eten, want de koning was dan wel nogal bescheiden, maar hij wist ook wat lekker was.

De mensen waren heel blij met deze koning die nogal bescheiden was. Ze vonden daarom dat hij best op de troon mocht zitten. Ze meenden dat hij dat nooit deed, omdat hij zijn troon niet mooi genoeg vond. Vandaar dat ze besloten hem een nieuwe troon te geven, met nog meer goud dan de oude, met een nog zachter kussen dan de vorige en - net als bij hun opa en oma - met elektrische knopjes, zodat de koning er ook in kon liggen en gemakkelijk eruit kon opstaan. Op een mooie ochtend hadden ze de troon klaargezet als verrassing. De koning kwam net uit bed en wreef zijn ogen uit. Hij vroeg: ‘Waarom die troon?’ De mensen antwoordden: ‘Omdat u bruggen bouwt over de rivier, omdat u de vijand terugslaat als die onze vrijheid bedreigt en omdat u eten koopt als we honger hebben.’ De koning zweeg even: ‘Maar begrijpen jullie het niet, ik kan niet op die troon gaan zitten.’ ‘Waarom niet?’ wilden de mensen weten. ‘Omdat er al iemand op die troon zit,’ zei de koning. ‘Wie dan?’ wilden de mensen weten. ‘De grote koning die de grote rivieren heeft gemaakt onder onze kleine bruggen, de grote koning die ons de vrijheid heeft gegeven, de grote koning die zorgt voor het graan dat groeit en de koeien die ons melk geven. hij hoort op die troon te zitten.’

De mensen dachten na lang over dit antwoord. Ze vonden hun koning nog meer bijzonder dan anders. Omdat hij zo bescheiden was. En ze vonden zijn snor ook nog altijd leuk.