Wie wordt de leraar?*

Een koning? Die was er in het bos. Dat was natuurlijk de leeuw. Een brandweerman? Die was er ook. Dat was de olifant die met zijn grote slurf iedere brand kon uitblazen. Een politieman? Dat was de vos. Met zijn slimheid en goede neus wist hij elke dief op te sporen. Een leraar …? De dieren ontdekten tot hun schrik dat ze nog geen leraar hadden. Er was geen leraar! Dat ze dat toch al die tijd over het hoofd hadden gezien! Hoe zou het bos zonder leraar kunnen? Geen wonder dat de dieren zo vaak ruzie hadden, dat er veel gestolen werd en gevochten. Er was geen leraar die de dieren kon leren hoe ze moesten leven met elkaar. Het was voor iedereen zonneklaar dat er een leraar moest worden aangewezen.

Wie zou dat kunnen zijn? ‘Achum’, kuchte de kerkuil zacht maar toch zo hard dat ieder het hoorde. Allen keken naar hem en de kerkuil nam het woord: ‘Ik woon in kerktorens en daardoor weet ik wat er in de kerk wordt gezegd. Het lijkt me duidelijk dat ik als geen ander weet hoe we moeten leven. Ik weet het meest. Laat mij dus de leraar van het bos worden.’ Nog voordat de kerkuil was uitgesproken, had de bidsprinkhaan zich naar voren gedrongen. ‘Wacht even’, zei hij, ‘ik ben er ook nog. Ik, de bidsprinkhaan, die vaker dan ieder ander bid, ik ben vanzelfsprekend de vroomste. Ik ben de meest aangewezene om leraar van het bos te worden.’ ‘Je vergist je, vriendje’, sprak de pauw die naar voren stapte terwijl hij zijn prachtige veren uitspreidde. ‘Ik ben door de Schepper niet voor niets beloond met zulke mooie veren. Ik ben de mooiste want de beste. Laat mij dus de leraar zijn.’

De kerkuil, de bidsprinkhaan en de pauw stonden vooraan te bekvechten met elkaar. De andere dieren stonden bedeesd wat achteraf. Zij durfden niks te zeggen tegen de vrome dieren die alledrie leraar wilden worden. Maar toen hun ruzie dreigde uit te lopen op een vechtpartij, besloot de vos in te grijpen. ‘Stilte!’, blafte hij. ‘Ik stel voor dat we wachten op een teken uit de hemel. Dat moet duidelijk maken wie de leraar zal worden.’ En zo begon het wachten op een teken uit de hemel.

Het begon te regenen. De dieren waren het er echter over eens dat dat geen teken van de hemel was. Het begon te onweren. Was dit het teken? Het onweer dreef over. Ook dat was het teken niet. Het begon te waaien. De pauw meende dat dit het teken was. Zijn lange veren begonnen immers te wapperen in de wind. Maar de andere dieren vonden dat geen duidelijk teken. En zo stonden ze te wachten, urenlang. Totdat er een gouden duif verscheen.

Hij cirkelde rond boven de dieren en streek toen neer. Maar niet bij de drie dieren vooraan: de kerkuil, de bidsprinkhaan en de pauw. Hij streek neer bij de dieren die wat achteraf stonden. Om precies te zijn, hij landde bij de slak.

‘De slak?’, riep de kerkuil, ‘dat stomme, langzame beest moet ons iets leren?’ ‘De slak?’ riep de bidsprinkhaan, ‘hij heeft niet eens handen om te vouwen. Hoe kan hij ons leren hoe wij bidden moeten?’ ‘De slak?’, riep de pauw, ‘zo’n glibberig eng beest onze leraar?’ ‘Inderdaad, de slak’, zei de gouden duif. ‘Want dit langzame dier weet iets wat jullie allemaal niet weten. Hij weet hoe lang de weg kan zijn. En de eerste stap bij het aanleren van belangrijke dingen is weten dat het een hele lange weg is.’

Zo werd de kleine, langzame slak de leraar van het bos. Een hele goede zelfs.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 122-124)