Waar de Vakantie woont

De journalist van het Bijzondere Dagblad keek of zijn strik recht zat, streek zijn jasje glad en krabde een vlekje van zijn broekspijp.  Hij wilde er netjes uitzien voor zijn gesprek met de Vakantie. De zomer liep op zijn eind en de Vakantie zou weer naar huis gaan. Maar zij had beloofd om eerst nog wat vragen van de journalist te beantwoorden. Hij hield veel van de Vakantie en wilde een mooi stukje over haar in de krant schrijven.       

De Vakantie belde bij de journalist aan. Zij had een grote koffer bij zich. ‘Wat zit er in uw koffer, mevrouw de Vakantie?’ ‘Wat denk je?’ antwoordde de Vakantie, ‘daar zitten al mijn mooie vakantieherinneringen in. Herinneringen aan stranden, snorkels, zonnecrème, wandelschoenen, blaren, fietstochten en vooral aan heel veel niks doen.’ ‘Ach, wat aardig,’ zei de journalist. ‘Neemt u ook mijn vakantieherinneringen mee? Al die dagen dat ik in het postzegelmuseum heb rondgezworven bijvoorbeeld?’  ‘Natuurlijk,’ gaapte de Vakantie, ‘en mocht je er toen een zacht gesnurk hebben gehoord, dan was ik dat waarschijnlijk.’      

Het gesprek ging voort. Eindelijk kwam de journalist bij zijn laatste vraag: ‘Waar gaat u nu heen, nu de zomer is afgelopen?’ De Vakantie leek deze vraag wat vreemd te vinden: ‘Naar huis, natuurlijk, mijn taak zit erop. Ik ga heerlijk naar huis, uitrusten tot volgend jaar.’ ‘Maar waar woont u dan, als ik vragen mag?’ De Vakantie lachte: ‘Iedereen weet toch waar ik woon!’ De journalist keek met grote ogen: ‘Waar u woont? Ik zou het waratje niet weten.’ De Vakantie keek hem aan: ‘Waar denk je?’ De journalist: ‘In Spanje, dicht bij de zon?’ ‘Nee, daar ben ik deze zomer al zo vaak geweest.’ ‘Eh, in het postzegelmuseum?’ De Vakantie lachte even: ‘Geen gek idee, ik heb er heerlijk geslapen. Maar ik woon er niet.’ De journalist dacht heel lang na. ‘Woont u dan bij de dieren, die hoeven immers niet te werken of naar school, dus die hebben altijd vakantie.’  De Vakantie keek verbaasd: ‘De dieren vakantie? Moet je eens aan de paarden vragen, die werken als paarden, en aan de koeien die in de zuivelindustrie zitten. Nee, ik woon niet bij de dieren. Veel te druk.’

De journalist wist het echt niet meer. De Vakantie zuchtte: ‘Iedereen weet toch dat ik in de kerktoren woon!’ ‘In de kerktoren,’ vroeg de journalist verbaasd? ‘Wis en waarachtig in de kerktoren,’ bevestigde de Vakantie. ‘Maar waarom?’ De Vakantie legde het uit: ‘De kerk is lekker rustig. Ik help de koster een beetje. Als hij op een knopje drukt, luid ik de kerkklok. Dat vind ik een aardig karweitje. En in de kerktoren woon ik lekker dicht bij de hemel. Dicht bij Onze Lieve Heer. De mensen zouden ook eens in een kerktoren moeten gaan wonen. Nou ja, dat ze ’s zondags in de kerk komen, is natuurlijk een goed begin: een uurtje vakantie op de zondagmorgen. Ze zijn altijd zo bezig om van alles toe doen, van alles te bereiken en overal te komen, terwijl ze het belangrijkste vergeten: dat ze er al zijn.

De journalist schreef alles ijverig op. Morgen staat het in de krant. Maar je hoeft die krant niet te lezen. Je weet nu toch al wat erin komt te staan.