Steengoed

Er was eens een mannetje, een klein mannetje, dat in het bos woonde. Dat is niet erg, maar wel dat hij veel last had van de dieren in dat bos. De mussen scholden hem uit, de vos loog tegen hem en de ekster pikte zijn spullen. Het kleine mannetje wist niet wat hij moest doen en ging om raad vragen bij de wijze mol. ‘Je moet in een hol gaan wonen,’ zei de mol, ‘daar kun je je in verstoppen voor de nare dieren. Doe ik ook. Beetje donker maar het went snel.’ Het mannetje probeerde het. Maar het donkere hol wende niet. En de wormen kropen ook nog eens dwars door zijn hol. Niet dat hij ze zag, want het was immers donker. Maar hij gleed wel over ze uit. Vonden die wormen leuk!

De mol had een ander plan: ‘Je moet stenen verzamelen.’ Het mannetje zocht een steen. Hij vroeg: ‘Wat nu?’ ‘Ik zei stenen,’ antwoordde de mol. Het mannetje zocht meer stenen. Maar dat was zwaar werk voor een klein mannetje. Gelukkig waren er een paar aardige dieren in het bos die verstand hadden van stenen: de steenmarter en de steenarend bijvoorbeeld. Die hielpen het mannetje met stenen zoeken. Nadat ze er een heleboel hadden verzameld, zei de mol: ‘Nu moet je er regels op schrijven.’ ‘Gewone regels?’ vroeg het mannetje. ‘Leefregels,’ antwoordde mol. ‘Je mag niet stelen, je mag niet liegen en zo.’ Het mannetje deed het. Maar toen de ekster de steen met ‘Je mag niet stelen’ zag, lachte hij hartelijk en stal een theelepeltje van het mannetje. De vos lachte om de steen met ‘Je mag niet liegen’ en loog dat hij nooit meer zou liegen.

Het mannetje ging weer naar de mol. ‘Je raad helpt niet.’ De mol zei: ‘Wacht even, ik was nog niet klaar met raadgeven. Nu moet je van al die stenen een huis bouwen.’ Het kleine mannetje begon een huis te bouwen, maar hij was zo klein, dat hij dat niet alleen kon. Ook al hielpen de steenmarter en de steenarend hem, het lukt niet. Gelukkig kwamen er ook andere dieren helpen, zoals de steenbok, de steenduif en andere steenachtigen. Maar nog waren ze met te weinig. ‘Weet je wat,’ zei de steekvlieg, ‘ik verander een letter, de k in een n, dan heb ik ook verstand van stenen.’ Nu de steenvlieg meehielp, lukt het. Het huisje was af. Het was een veilig huisje, gebouwd van stenen met mooie leefregels. Vanaf dat moment kon de ekster niets meer stelen. En als de mussen kwamen schelden of de vos kwam liegen, deed het mannetje gewoon de deuren en de ramen dicht.

Sindsdien wonen alle mensen in huizen. Lekker veilig. Maar je vraagt je natuurlijk af of er nog altijd leefregels op de stenen staan. Ik denk het niet. Maar mogelijk staan ze nu ergens diep vanbinnen in onszelf. Dat is nog belangrijker. Dan zijn jij en ik de bouwstenen van een wereld die veilig is als een huis. Als het goed is, natuurlijk. Maar als het echt goed is, dan is dat steengoed.