Prinses Slimoog en prinses Domoor

Er was eens een heel bijzondere tweeling, twee meisjes. Die waren bijzonder omdat ze allebei prinsesjes waren. Ze waren nog bijzonderder doordat ze allebei zo verschillend waren. Dat kon je al horen aan hun namen: Slimoog en Domoor.  

Slimoog en Domoor speelden vaak bij de vijver in de paleistuin. Ze maakten er van alles mee. Op een dag zagen ze een poes die heel droevig keek. Ze vroegen wat er aan de hand was en hoorden dat ze vergeten was hoe ze moest miauwen. Ze was bang dat ze het nooit meer zou leren. Domoor vond dat heel dom. De poes had beter moeten opletten bij miauwles. En anders nam ze maar miauwbijles. Slimoog zei: ‘Poes, je hoeft niet bang te zijn.’. Ze leerde de poes weer miauwen. Dat deed ze zo goed dat de poes na die ochtend niet alleen kon miauwen, maar ook blaffen en fluiten. De poes bedankt hen hartelijk. Maar Domoor hoorde dat niet eens. Dat kan natuurlijk als je Domoor heet.    

Op een andere dag speelden Slimoog en Domoor weer bij de vijver. Domoor hoorde niets. Slimoog ook niet. Maar Slimoog zag iets dat Domoor niet zag, iets dat je niet kunt horen maar wel zien: een vis die om hulp riep. Snel liepen de prinsessen naar de vijver en vonden er een vis die niet zwemmen kon. Hij was vergeten hoe het moest. Hij was bang dat hij het nooit meer zou leren. Domoor vond dat heel dom. De vis had beter moeten opletten bij zwemles. En anders nam ze maar zwembijles. Slimoog zei: ‘Vis, je hoeft niet bang te zijn.’ Ze leerde de vis weer zwemmen. Dat deed ze zo goed dat de vis na die ochtend niet alleen de schoolslag kon, maar ook de vlinderslag en de rugslag en zelfs - dat is heel bijzonder - de radslag. Hij riep ‘Bedankt!’ Domoor hoorde dat natuurlijk niet. Slimoog ook niet. Maar ze zag het wel.

Een tijdje later gebeurde er weer iets vlak bij de vijver. Slimoog en Domoor hoorden een klagelijk geluid dat achter een boom vandaan kwam. De prinsesjes gingen kijken en vonden er een eendagsvlieg die huilde. Hij vertelde dat hij de toekomst kwijt was. Domoor vond dat hij beter had moeten opletten bij toekomstles. En anders nam hij maar toekomstbijles. Slimoog zei: ‘Eendagsvlieg, je hoeft niet bang te zijn. Er is altijd toekomst.’ ‘Hoe weet je dat?’ vroeg de eendagsvlieg. ‘Luister maar diep in jezelf, naar de stem van de Goede Geest,’ zei Slimoog ‘die zegt dat dat er altijd toekomst is, zelfs voor een eendagsvlieg.’ De eendagsvlieg hield op met huilen en besloot zijn ene dag aan iets beters te besteden dan aan huilen. Hij gaf Slimoog een dikke zoen. En, vooruit maar, ook Domoor.

Toen Slimoog en Domoor wat ouder waren geworden, waren de koning en de koningin nog veel ouder geworden. Het werd tijd dat ze met pensioen gingen. Maar wie moest hen opvolgen? Wie zou het koninkrijk erven? De koning en de koningin vroegen zich af wie met de meeste wijsheid en liefde voor de mensen en dieren zou zorgen? Slimoog of Domoor?

Als je het niet weet, dan ben ik bang dat je een domoor bent.