Koning Buik*

Er was eens een koning ... En wanneer een verhaal zo begint, verwacht u, beste lezer, natuurlijk dat dit verhaal eindigt met: ‘En hij leefde nog lang en gelukkig.’ Maar laten we afwachten of dat zo is.

Koning Buik afb copy

Er was dus eens een koning. Koning Buik heette hij. Een vreemde naam voor een koning, maar dit was dan ook geen gewone koning. Op een mooie dag reed koning Buik te paard door zijn koninkrijk. De landerijen lagen er prachtig bij en de zon scheen naar hartelust op de meren en de bossen. Maar koning Buik had daar geen oog voor. Het enige waar hij aan dacht was eten. Hij dacht haast altijd aan eten. Al gebiedt de waarheid te zeggen dat hij niet alleen maar daaraan dacht. Zo saai was hij nu ook weer niet. Hij dacht ook wel eens aan goud en macht en mooie paleizen.

Rijdend door de zonovergoten velden kwam hij een man tegen die aan een touw een zilveren varken meevoerde. Dat ziet men niet vaak. Koning Buik hield zijn paard in en vroeg de man waarheen hij op weg was. ‘Ik ben op weg naar het beste restaurant van het land.’ ‘Beste man, wat ga je daar dan met dat bijzondere varken van je doen?’ ‘Ik ga het verkopen, want niets is zo heerlijk als het vlees van een gebraden zilveren varken.’ Koning Buik kreeg nu nog meer zin in eten dan hij gewoonlijk al had en vroeg of hij het varken kopen kon voor de paleiskeuken. ‘De prijs is hoog, heer,’ antwoordde de man aarzelend. ‘Wat moet het kosten? Ik heb alles over voor zo’n bijzonder stukje vlees.’ De koning watertandde. ‘Het kost u uw armen, heer. Alleen als u mij uw armen geeft, schenk ik u dit zilveren varken.’ Nu wisten we al dat koning Buik geen gewone koning was. Het verbaast dan ook niemand te horen dat koning Buik instemde met dit aanbod. ‘Och, ik heb mijn armen niet echt nodig. Mijn knechten werken en mijn soldaten vechten voor mij.’ Zo gebeurde het dat koning Buik naar het paleis terugkeerde met een zilveren varken, maar zonder armen.

Niet lang daarna maakte koning Buik weer een ronde door het land. Nu in een koets, want paardrijden zonder armen is lastig. Onderweg kwam hij de man tegen die hem het zilveren varken had verkocht. Nu dreef hij een zilveren koe voort. Koning Buik liet de koets stilhouden. ‘Beste man, het zilveren varken was verrukkelijk. Nu zie ik u weer met een bijzonder dier. Waarheen gaat gij?’ De man antwoordde dat hij naar de beste kaasmakerij van de wereld ging. Van de melk van deze zilveren koe kon men de heerlijkste kazen maken. ‘Koning Buik begon te watertanden en vroeg de man de zilveren koe aan hem te verkopen, voor de paleiskeuken. ‘De prijs is hoog, heer,’ antwoordde de man. ‘Wat moet het kosten?’ De man antwoordde: ‘Het kost u uw benen.’ Koning Buik dacht niet lang na: ‘Och, ik heb een koets om me te laten rijden en een draagstoel die mijn dienaren kunnen dragen.’ Zo gebeurde het dat koning Buik naar het paleis terugkeerde met een zilveren koe, maar zonder benen.

Toen koning Buik zich op een mooie dag liet ronddragen in zijn draagstoel kwam hij weer de man tegen die hem het zilveren varken en de zilveren koe had verkocht. Deze keer had hij een zilveren mantel om. De koning vroeg hem waarheen hij ging met de zilveren mantel. ‘Heer, ik ga een prinses zoeken. Wie deze mantel draagt, vindt het geluk. Alle prinsessen van de wereld worden verliefd op wie deze zilveren tovermantel draagt.’ Nu was koning Buik nog niet getrouwd. Hij was verstandig genoeg om te begrijpen dat er niet veel prinsessen waren die verliefd zouden worden op een koning zonder armen en benen. ‘Beste man, verkoop mij deze mantel, de liefde is mij alles waard.’ ‘De prijs is hoog, heer, erg hoog,’ antwoordde de man. ‘Vertel me, wat moet de mantel kosten?’ De man zei: ‘Deze mantel kost u uw hoofd.’ Koning Buik dacht even na: ‘Ach, ik heb raadgevers die voor mij kunnen denken. En ik kan leren buikspreken. Een hoofd heeft een koning welbeschouwd niet nodig.’ En zo gebeurde het dat koning Buik naar het paleis terugkeerde met de zilveren mantel, maar zonder hoofd.

Het valt te begrijpen dat Koning Buik niet vaak meer in zijn koninkrijk rondreed. Nu kwam de man die de koning een zilveren varken, een zilveren koe en een zilveren mantel had verkocht naar het paleis. Hij droeg een zilveren beurs bij zich. Koning Buik vroeg wat dat voor beurs was. De man maakt hem duidelijk dat dit een heel bijzondere beurs was. Deze beurs bevatte altijd geld. Wie deze beurs bezat, zou het nooit aan rijkdom ontbreken. Koning Buik hoefde niet lang na denken, iets wat hij zonder hoofd trouwens niet eens meer kon. ‘Ik wil die beurs,’ sprak hij. De man maakte hem echter duidelijk: ‘De prijs is hoog, heer, zeer hoog. Deze zilveren wonderbeurs die u eeuwige rijkdom zal schenken, kost u uw hart.’ ‘Ach wat,’ antwoordde koning Buik, ‘iemand die geen armen, geen benen en geen hoofd meer heeft, kan ook zijn hart wel missen.’ En zo gebeurde het dat koning Buik zijn hart inruilde voor de zilveren beurs.

‘En hij leefde nog lang en gelukkig met zijn zilveren varken, zilveren koe, zilveren mantel en zilveren beurs.’ Dat zou een mooi einde zijn van dit verhaal. Maar de werkelijkheid is anders. Een koning zonder armen en benen, dat gaat nog. Een koning zonder hoofd, dat komt vaker voor. Maar een koning zonder hart ... die is hartstikke dood.

 

(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 41-43)