Het schaap met de vijf poten

Vader schaap had een lieve vrouw en een grappig lammetje dat Brammetje heette. Toch was vader schaap niet tevreden en daarom speelde hij in de loterij. Op een goede dag viel het lot op hem. Nu bestaan er in de schapenloterij geen geldprijzen, want schapen hebben geen portemonnee. De prijs in de schapenloterij was veel mooier: een wens. De tovenaar, die een eindje verderop op de hei woonde, zou die wens in vervulling doen gaan. Vader schaap hoefde niet lang na te denken over zijn wens. ‘Ik wil dat mijn zoon Brammetje een pootje erbij krijgt. Een schaap met vier poten is wat gewoontjes, maar een schaap met vijf poten, daar kan je wat mee.’ Voor de tovenaar was het een koud kunstje om Brammetje een pootje erbij te geven. Hij kuchte, trok twee keer aan zijn oren en zei daarna gewoon ‘hup’. Zo gemakkelijk is het om bij schapen een extra pootje tevoorschijn te toveren.    

Eerst struikelde Brammetje steeds over zijn nieuwe pootje. Maar het wende al gauw. Al gauw kon hij veel meer dan gewone schapen. Als er bijvoorbeeld een paar zakken schaapskleren naar de wolf moesten worden versjouwd, kon Bram dat veel beter dan de anderen. Hij zakte niet zo gauw door zijn poten. De wolven waren een beetje bang voor een schaap met vijf poten en vraten hem niet op. Als er een danswedstrijd was, won Bram altijd. Hij kon zelfs een rondje op alleen zijn vijfde poot draaien. Bij een voetbalwedstrijd won Bram ook altijd. Handig hoor, zo’n schaap met vijf poten.

Op een dag ging Bram naar zijn vader. ‘Vader, ik voel mij ongelukkig.’ ‘Wat zullen we nu beleven,’ reageerde zijn vader verschrikt, ‘een alleskunner als jij kan helemaal niet ongelukkig zijn.’ ‘Het kan,’ antwoordde Bram. ‘Niemand wil meer aan een danswedstrijd meedoen, als ik meedans. Ze weten dat ik toch de beste ben. En voetballen doet niemand meer, want ze weten dat ik altijd win.’ ‘Ach, allemaal fratsen,’ zei vader schaap. ‘Je bent bijzonder en dus ben je gelukkig.’

De moeder van Bram begreep het wel. In het telefoonboek vond zij het nummer van de tovenaar. Hij kwam de volgende dag, kuchte een keer, trok twee keer aan zijn oren en zei daarna gewoon ‘hup’. Zo gemakkelijk is het om bij een schaap een pootje weg te toveren.

 Die vijfde poot van Bram ligt nu ergens in de kelder, tussen de campingspullen en de aardappelen. Vader schaap was woest. Vanaf toen ging hij elke dag een half uur zitten mokken. Maar Bram was blij dat hij geen schaap met vijf poten meer was.

Later, als een lammetje Bram soms vertelde dat het ontevreden met zichzelf was en een schaap met vijf poten wilde worden, dan vertelde Bram dat je maar beter blij kunt zijn met je vier poten. ’t Is meer dan genoeg.