Ga naar de mieren*

Er was eens een prins die dol was op woorden. De hele dag las hij boeken en zocht hij naar woorden. Gewone woorden stelde hij wel op prijs, maar hij was vooral op zoek naar bijzondere woorden: dure woorden, hoge woorden, vreemde woorden, sleutelwoorden, laatste woorden, noem maar op. Jaar in jaar uit zocht de prins in zijn boeken, het verveelde hem nooit en hij werd steeds verliefder op alles wat woord was.

Toen hij zijn vader opvolgde en koning werd, bleef hij van woorden houden. Staatszaken of macht interesseerden hem niet. Rijkdom ook niet. Hoewel, zijn rijkdom bestond uit woorden. Hoe meer nieuwe woorden hij vond, hoe rijker de jonge koning zich voelde. Zijn raadgevers en lakeien probeerden bij de nieuwe koning in het gevlij te komen en begonnen daarom ook woorden te verzamelen. In het paleis werden speciale vertrekken ingericht die vol kwamen te liggen met vellen papier, beschreven met honderden, ja duizenden woorden. En buiten het paleis? Ach, de mensen doen vaak na wat er in hogere kringen mode is. Ook gewone mensen begonnen zich toe te leggen op woorden. Wie het beste schrijven kon of, beter nog, nieuwe woorden verzinnen, stond in hoog aanzien. Goede schrijvers vonden goed betaalde banen en het duurde niet lang meer of het hele koninkrijk had zich gewijd aan het woord.

De koning zag het aan en knorde goedkeurend. Dat de boeren vellen volschreven en geen graan meer verbouwden, interesseerde hem niet. Dat scheepswerven stil lagen en scheepsbouwers veranderden in schrijvers, hij kon er niet wakker van liggen. Dat de melkfabrieken geen melk meer aangeleverd kregen en geen kaas of boter meer maakten, ach, dat was een kleinigheid vergeleken bij de grootse taak om dienaren te zijn van het woord. Wie dan voor voedsel en andere benodigdheden moesten zorgen? Dat werd natuurlijk gekocht van naburige landen met het goud en zilver dat de jonge koning had geërfd van zijn vader. Dat had ook nog een voordeel: hoe leger de schatkamers werden, hoe meer plaats er vrij kwam om nieuwe woorden op te slaan.

Op een ochtend ging de jonge koning aan de ontbijttafel zitten. Het viel hem op dat er geen boterhammetje op zijn bord lag. De ontbijtlakei kwam verlegen dichterbij en fluisterde dat er geen geld meer was om brood te kopen in het buitenland. De koning bleef rustig onder dit bericht, al vond hij het wel lastig dat hij nu met een lege maag aan zijn woorden moest werken. ‘Ook de melk, de eieren, de groente en het vlees raken op,’ vertelde de lakei. ‘Het volk wordt onrustig want het vreest honger en armoede.’ De koning fronste de wenkbrauwen. Een andere dienaar naderde de koning. Met een rood gezicht mompelde hij dat zelfs het geld ontbrak om papier te kopen voor de woorden. Toen brak de jonge koning uit in tranen. Hij ontbood meteen zijn raadgevers. Maar zij wisten geen oplossing. Zij waren zo met woorden bezig geweest, dat zij al hun andere wijsheid hadden vergeten. Het enige dat ze konden bedenken was een oproep te doen aan ieder in het land om een oplossing te bedenken voor de dreigende honger en armoede. Maar niemand in het koninkrijk kon iets bedenken. Ze waren zo bezig geweest met woorden dat zij alleen nog maar aan woorden konden denken.

Diep in het bos woonde er een mannetje. Het was een eigenaardig mannetje vonden de mensen, want hij hield zich niet bezig met woorden. Toevallig kwam hij die dag in de stad om stenen te kopen voor een nieuwe schoorsteen die hij wilde bouwen. Hij merkte al gauw dat er geen stenen meer te krijgen waren, noch brood, voedsel of andere dingen. Ook hoorde hij dat de koning ten einde raad was en ieder die goede raad wist, had uitgenodigd op zijn paleis. Het mannetje stopte zijn pijp en stapte het paleis binnen. Voor de troon aangekomen stak hij zijn pijp op en sprak tot de koning: ‘Ga naar de mieren.’ Hij trok aan zijn pijp, blies de rook uit en liet de koning verbaasd achter. Even mistig als de rook uit de pijp waren de woorden van het mannetje. De koning hield weliswaar van woorden maar niet van mistige woorden en vroeg zijn raadgevers wat die rare woorden ‘ga naar de mieren’ betekenden.

Een raadgever was van mening dat het heel diepzinnige woorden waren. ‘Ga naar de mieren’ wilde zeggen: denk zo diep na als de holen van mieren diep zijn. Maar een andere raadgever wist dat mierenholen helemaal niet diep zijn. Hij meende dat het beledigende woorden waren. Het mannetje had de koning onzin verteld en diende daarom te worden opgehangen. De koning werd ziedend van boosheid en wilde opdracht geven tot de terechtstelling van het mannetje. De ontbijtlakei schuifelde echter naar voren en zei: ‘Misschien waren het geen mistige woorden maar letterlijke woorden. Misschien moeten we echt naar de mieren gaan.’ De koning bromde wat, dacht even na en zei toen dat ze dat dan maar moesten proberen. Alle raadgevers, dienaren en zelfs de koning gingen op de knieën en met hun neuzen op de grond zochten zij naar mieren. Hoe dichter ze in de buurt van de kamers waar de vellen papier waren opgeslagen, kwamen, hoe meer mieren zij zagen. Ze keken nog eens goed, haalden vergrootglazen om nog beter te kunnen kijken en ontdekten dat de mieren kleine stukjes papier met stukjes woord wegsjouwden. Ze keken nog beter en zagen dat de mieren de stukjes papier naar hun holen brachten. Toen ze voorzichtig in de holen keken, zagen zij tot hun verbijstering dat de mieren niet woorden verzamelden zoals de mensen maar er hun nesten mee bouwden. De mieren verzamelden niet zomaar woorden maar deden er iets mee!

De koning, de raadgevers en de lakeien sprongen op en trokken zich de haren uit het hoofd. Dat zij dat zelf niet bedacht hadden! Je kunt woorden niet alleen verzamelen maar er ook iets mee doen. De koning haastte zich naar de kamers met vellen vol woorden. Hij zocht en vond al snel het woord ‘steen’. Plechtig nam hij het woord in de mond en gaf opdracht stenen te maken voor de schoorsteen van het mannetje in het bos. Hij zocht en zocht en ver weg, in een vergeten uithoek met gewone woorden vond hij woorden als ‘werken’ en ‘maken’ en ‘doen’. ‘Dat is het,’ riep de koning. ‘We moeten iets van onze woorden maken, we moeten ermee werken.’ Iedereen lachte en juichte en ging snel aan de slag. Het duurde niet lang of er was weer voedsel voor iedereen. En elke keer als de mensen boven het bos de rook uit de schoorsteen van het mannetje zagen kringelen, bedachten ze weer dat woorden alleen kostbaar zijn als ze ook werken.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 68-70)