Een hoog hart*

‘Nee, ik pas niet meer in een gewoon muizenhol,’ verklaarde Minus. ‘Daar ben ik te groot voor, te bijzonder.’ De muis Minus meende niet zonder reden zo bijzonder te zijn dat hij niet meer bij de andere muizen paste. Had hij immers niet de leeuw gered? De leeuw die altijd opschepte over zijn kracht. Maar toen hij verstrikt was geraakt in een vangnet had hij zichzelf daar niet uit kunnen bevrijden. Dat had zelfs de olifant, toch geen doetje, niet gekund. Maar Minus wel. Met zijn scherpe muizentanden had hij de touwen van het net doorgeknaagd en de leeuw bevrijd. Vanaf die dag was hij van mening sterker dan een leeuw, ja zelfs dan een olifant te zijn.

Alleen was het jammer dat hij vanaf die dag wat last had van een vreemd gevoel bij zijn hart. Minus was ermee naar de dokter gegaan. ‘Tja,’ had de dokter gemompeld, ‘typisch een geval van een hart dat te hoog zit. Daar heb ik geen pillen tegen. Maar je gaat er niet dood aan.’ ‘Dat lucht op,’ had Minus geantwoord en hij was weggegaan met zijn staart parmantig zwaaiend boven zijn kop. Wie kon hem wat maken?

Er naderde hoefgetrappel. In de verte zag Minus een groot zwart paard aankomen waarop één van de meest gevreesde roofridders van het land reed. Minus kreeg even de neiging om opzij te springen. ‘Maar dat had je gedroomd,’ zei Minus tegen zichzelf. ‘Ik wegspringen voor een paardje met een ridder, ik die sterker dan een leeuw, ja een olifant ben?’ Midden op het pad bleef hij zitten. Het paard naderde. Het had heel wat veldslagen meegemaakt en was niet bang uitgevallen. Maar het toeval wilde dat dit paard, dat niet voor kanonnen of lansen vreesde, al van veulen af aan bang was geweest voor muizen. Toen het beest Minus onbevreesd op het bospad zag met zijn staart fier zwaaiend in de lucht, steigerde het wild en sloeg op hol. De roofridder die languit en kermend in de modder was gevallen, maakte dat hij wegkwam met blauwe plekken op zijn achterste en een rood hoofd van schaamte. Minus stond er lachend naar te kijken, nog zelfverzekerder dan tevoren. Sterker was hij dan leeuw en olifant, stoerder dan roofridder en paard.

Jammer alleen dat zijn hart weer zo raar voelde. Vandaar dat hij toch maar weer naar de dokter ging. ‘Tja,’ zei de dokter, ‘je hart zit weer wat hoger dan gisteren. Maar je gaat er niet aan dood.’ ‘Dat lucht toch op,’ antwoordde Minus en vertrok, zijn oren parmantig flapperend in de wind.

Ineens stond er een grote arend voor hem. Arenden lusten graag een hapje muis vooral op vrijdag, dat is bekend. Minus was een muis en het was die dag vrijdag, dus zag het er donker uit voor Minus. Maar Minus meende van niet. Hij vertelde de arend dat hij een leeuw had bevrijd met zijn vlijmscherpe muizentanden. Hij liet ze zien, zijn twee voortanden blikkerden in de zon. De arend lachte echter luidkeels. Moest hij daar bang voor zijn? Toen vertelde Minus hoe hij een roofridder te paard had verjaagd. Hij liet zijn staart weer fier wapperen boven zijn kop. Omdat de arend niet onder de indruk leek, flapperde hij ook met zijn oren. Maar de arend kreeg haast de hik van het lachen toen hij Minus zo bezig zag. Minus werd niet gauw boos, maar nu was hij ziedend. Hij sloeg met zijn staart naar de arend. Die lachte nog harder en pakte Minus bij de staart. Doordat hij nog zo verschrikkelijk moest lachen, kreeg hij het niet voor elkaar om de muis op te eten. ‘Volgende keer beter,’ hikte de arend en slingerde de dodelijk geschrokken Minus een eind weg. Minus wist niet hoe gauw hij het muizenhol in moest vluchten, datzelfde hol dat volgens hem te klein voor hem was omdat hij zo groot en bijzonder was. Daar stond hij nu in het hol tegenover de andere muizen, met blauwe plekken op zijn achterste en een rood hoofd van schaamte. De andere muizen begroetten hem hartelijk: ‘Welkom bij de gewone, grijze muizen. Hoe is het met je?’ Minus keek de muizenkring eens rond en langzaam verscheen er een glimlach op zijn snoet: ‘Ik geloof dat mijn hart weer op de goede plaats zit.’


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 47-48)