De zeester*

Wat was dat, daar op de zeebodem? Nicodemus, het kleine rode visje, zwom nieuwsgierig naar de vreemde schelp tussen de resten van een lang geleden vergaan schip. Hij durfde niet dicht bij de vreemde schelp te komen. Je wist maar nooit. Maar Nicodemus’ nieuwsgierigheid won het tenslotte van zijn voorzichtigheid. De schelp was geen gewone schelp, maar een toverschelp. Hoe Nicodemus dat wist? Doordat hij heel knap was natuurlijk. Dat vond hijzelf tenminste. Maar ook wel een beetje doordat het op de schelp zelf stond geschreven, met zilveren letters: ‘Toverschelp’. Eerst wilde Nicodemus hard wegzwemmen. Hij had het niet op toverschelpen. Wie weet wat er in zat? Maar ook nu weer won Nicodemus’ nieuwsgierigheid het van zijn voorzichtigheid. Met zijn snuit duwde hij tegen de schelp en deze opende zich langzaam. Er verscheen een vrolijk, klein mosseltje met een blauw mutsje op. ‘Gefeliciteerd, Nicodemus,’ babbelde de mossel. ‘Er zitten drie toverparels in deze schelp. Elke keer als je er één uit pakt, mag je een wens doen.’ ‘En dan?’ vroeg Nicodemus verbaasd. ‘Dan gaat die wens natuurlijk in vervulling, slimmerik,’ antwoordde het mosseltje. ‘Vergeet het niet, drie parels dus drie wensen.’ Het mosseltje nam zijn mutsje af en vrolijk lachend nam het afscheid van Nicodemus.

Nicodemus dacht diep na. Dat deed hij niet vaak en het kostte hem grote moeite. Zoveel dat hij in slaap viel. Nicodemus kreeg eerst mooie dromen. Hij droomde van dansende dolfijnen, zingende tonijnen, huppelende zeekonijnen. Toen droomde hij boze dromen: over haaien met grote tanden, schelpen met scherpe randen en kleine visjes zoals hij in vissersmanden. Nicodemus schrok wakker. Hij dacht aan zijn boze dromen. Sterk moest hij worden, sterker dan zijn vijanden! Daarom haalde hij een parel uit de toverschelp en wenste dat hij tanden zou krijgen, scherp en sterk, om zich te verdedigen tegen zijn vijanden. Op hetzelfde moment schoten er tanden op in zijn bek die uitgroeiden tot vervaarlijke dolken.

Vanaf die dag was Nicodemus voor geen visje meer bang. Hij kon alle andere rode visjes aan. En de blauwe en de gele, de groene en de paarse. Ook de zeepaardjes kon hij aan en de mosselen zonder huis. Nicodemus werd de schrik van de zee. Wie hij lastig kon vallen, viel hij lastig. Maar ... de krabben kon hij niet aan. Hun pantser was zo sterk en hun scharen zo scherp dat Nicodemus hen niet aan durfde te vallen.

Toen hij ’s nachts sliep, moe van het treiteren van zijn broeder- en zustervisjes, droomde hij weer. Nicodemus kreeg eerst mooie dromen: van sardientjes met de slappe lach en vrolijke zeekoeien met een vlag. Toen droomde hij boze dromen: over aan lager wal geraakte walvissen en krabben die konden sissen. Nicodemus schrok wakker. Hij dacht aan zijn boze dromen. Sterker moest hij worden. Sterker in elk geval dan de krabben. Hij pakte een parel uit de toverschelp en wenste als een krab te zijn. Zijn schubben veranderden in een harnas en zijn vinnen in scherpe zwaarden.

Nicodemus voelde zich nu een onoverwinnelijke zeeridder. En zo gedroeg hij zich ook: heerszuchtig als een piraat. Wie hij kon dwarszitten en opjagen, zat hij dwars en jaagde hij op. Kwallen hakte hij doormidden, haringen stopte hij in een donkere ton, sardientjes blikte hij in. Ook de andere krabben waren niet meer veilig voor hem. Hij joeg hen na tot op het strand. Maar toen gebeurde het ... Een meeuw die boven het strand cirkelde, op zoek naar een lekkere vette krab, stortte zich op Nicodemus. Hij beet zijn scharen af, trok hem de poten uit en vrat hem op. Zo kwam het rode visje Nicodemus aan zijn roemloze einde.

Niet lang erna kroop er een weekdier met vijf armen over de zeebodem en vond de toverschelp. Hij gluurde over de rand en zag dat er nog één toverparel in lag. Hij mocht een wens doen. Hij droomde weg. Wat zou hij kiezen? Hij droomde eerst mooie dromen: over een koets getrokken door stoere zeepaarden, zeemeerminnen met strakke staarten. Maar ook droomde hij boze dromen: dat hij zich kon veranderen in giftig kikkerdril of een zeeheksmeermin die doet wat zij wil. Toen hij wakker werd, wist het weekdier wat het wenste. Want juist op dat moment kreeg het voor het eerst in zijn leven een wijze gedachte. Welke gedachte dat was? Het weekdier dacht dit: ‘Wie een toverschelp vindt, luistert meestal niet naar zijn mooie dromen maar vooral naar zijn boze dromen.’ Daarom nam het weekdier de laatste toverparel en met zijn sterkste arm gooide hij de toverparel weg, de zee uit, op het land.

Sindsdien is er nooit meer een toverparel gevonden op de bodem van de zee. Maar het verhaal is nog niet ten einde. De koning van de zee prees het vijfarmige weekdier om zijn wijsheid. Hij schonk hem als dank een erenaam. Vanaf die dag kennen we hem als de ‘zeester’.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 63-65)