De reiger en de kikker*

Weet je hoe het komt dat reigers kikkers eten? Nee? Ik wel. Heel lang geleden zou de dochter van de reigerkoning gaan trouwen. Het was een belangrijke bruiloft, want ze zou trouwen met de zoon van de ganzenkoning. De bruiloft moest dus een groot feest worden. De reigerkoning zat te peinzen. ‘Wie zal ik uitnodigen? Natuurlijk alle andere dierenkoningen: de zwaluwenkoning, de vissenkoning, de varkenskoning, de leeuwenkoning, de mierenkoning ...’ Hij stuurde zijn lakeien op pad om alle dierenkoningen uit te nodigen voor het grote feestmaal. Maar de reigerkoning had één koning vergeten. De kikkerkoning kreeg geen uitnodiging.

De kikkerkoning was ziedend van woede. ‘Hoe is het mogelijk dat ik, één van de belangrijkste koningen van het dierenrijk, geen uitnodiging krijg! Wat een belediging! Ik zal het de reigerkoning betaald zetten!’ Maar hoe? De kikkerkoning dacht lang na. Ineens klaarde zijn gezicht op. ‘Ik weet het, ik zal het feestmaal bederven. Ik zal ervoor zorgen dat de reigerkoning voor gek staat.’

Toen de grote dag van de bruiloft was aangebroken, riep de kikkerkoning al de kikkers uit zijn koninkrijk bij zich. Hij vertelde hun dat zij met z’n allen naar het banket in het paleis van de reigerkoning zouden gaan en alles zouden opvreten. De reigerkoning moest een lesje krijgen. Terwijl het bruidspaar en alle koninklijke gasten in de kerk zaten voor de trouwdienst glipten de kikkers de eetzaal van het reigerpaleis binnen. Ze konden hun ogen niet geloven: taarten zo groot als huizen, de fijnste pasteien die je maar kunt bedenken, kleurige roodgele salades, flessen met de kostbaarste wijn van het land ... De kikkers bedachten zich geen ogenblik en schrokten en klokten alle heerlijkheden naar binnen. Binnen korte tijd konden de kikkers zich haast niet meer bewegen doordat hun buiken dubbel zo groot geworden waren en ze alles dubbel zagen door de wijn. Langzaam waggelden ze weg. Behalve de kikkerkoning; hij ging vergenoegd onder een steen zitten om te kijken hoe de reigerkoning op zijn snavelneus zou kijken.

Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, haastten de dieren zich naar het paleis. Wat hadden ze een trek in het heerlijke eten. De reigerkoning legde op weg naar het paleis aan de ganzenkoning uit wat voor heerlijkheden hij wel niet had laten bereiden. Plotsklaps klonk er geschreeuw. De reigerkoning vloog naar de eetzaal en zag tot zijn grote schrik de puinhoop van lege schalen en etensresten. ‘Leugenaar, bedrieger!’ riepen de dieren hem toe, ‘je hebt ons voor niets laten komen, dit nemen we niet!’ Blazend en tierend verlieten zij de bruiloft en gingen naar huis.

De reigerkoning zonk verbijsterd neer op zijn troon. Hij keek de verlaten zaal rond. Ineens hoorde hij gehik. De kikkerkoning, die veel te veel gegeten had, had de hik gekregen. De reigerkoning ging op zoek en vond hem onder de steen. ‘Dus jij hebt dit feest in de war gestuurd! Ik zal je!’ De kikkerkoning sprong onder zijn steen vandaan en zette het op een lopen. De reigerkoning dacht maar aan één ding: hij zou die kikker opvreten. Hij ging hem achterna maar kreeg hem niet te pakken want de kikkerkoning was in de sloot gesprongen om zich te verschuilen.

De reiger en de kikker zijn sindsdien nooit meer gelukkig geworden. De reiger, grijs geworden van teleurstelling en woede, staat elke dag nog langs de waterkant, alleen maar denkend aan wraak. De kikker moet schuilen in het koude water en is altijd bang.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 32-33)