De lachende engel*

‘Burgemeester, een engel ... er zit een engel in ons dorp!’ De kruidenier was bijna over de drempel gestruikeld, zoveel haast had hij gehad om het de burgemeester te komen vertellen. ‘Een engel, op het dorpsplein, tegenover mijn winkel ...!’ De burgemeester keek de kruidenier over zijn bril aan. ‘Nu, wat is daar zo bijzonder aan? Engelen zijn toch doodgewoon?’ ‘Burgemeester ... ik weet haast niet hoe ik het zeggen moet ... de engel lacht!’ De burgemeester trok lijkbleek weg. ‘Wat zeg je?’ ‘Burgemeester, hij ... lacht!’ De burgemeester, die al voor heel wat hete vuren had gestaan maar nog nooit voor een lachende engel, stond trillend op. Haastig liet hij zich door de kruidenier de plek wijzen waar de engel zat. En warempel, het wezentje lachte. Het straalde van de lach. De burgemeester trok eens aan zijn vleugeltjes, kneep in zijn konen en voelde aan het witte engelengewaad. ‘Ja, geen twijfel mogelijk, dit is toch echt een engel. Ga de pastoor halen, vlug!’

De pastoor kwam onmiddellijk. Hij drong zich door de inmiddels rond de engel samengedromde menigte. De pastoor had voor de zekerheid een groot kruis meegenomen. Niet dat hij kon vertellen wat hij daarmee moest doen, maar je wist maar nooit. De pastoor bekeek de engel van top tot teen en richtte zijn blik radeloos ten hemel. ‘Lieve hemel, red ons, een lachende engel!’ Hoewel hij in onmin leefde met zijn collega, de dominee, vroeg hij hem toch te halen. Dit was een noodgeval. Toen de dominee van de engel hoorde, nam hij niet eens de tijd zich te verkleden en snelde met wapperende toga toe. Bij het zien van de engel viel de goede herder bijna flauw. ‘Dat engelen lachen stond nergens in zijn boeken! Zelfs niet in het Grote Boek.’

In het café aan het dorpsplein beraadslaagden de burgemeester, de pastoor, de dominee en de dokter, die er ondertussen ook bij was gekomen, over de vraag wat zij met de engel aan moesten. De pastoor had een idee. Deze engel zal weer vroom kunnen worden als we een kapel voor hem bouwen. ‘Een rústige kapel,’ zei de dokter, ‘met niet teveel kleuren, want van kleuren zou hij weer vrolijk kunnen worden.’ ‘Daar ben ik het glad mee eens,’ stamelde de dominee die nog nauwelijks bekomen was van de schrik. ‘Laat het vooral ook donker in de kapel zijn, want daar wordt een mens ernstig van. Wij kunnen niet ernstig genoeg zijn.’ De burgemeester wilde dat de kapel niet teveel ramen zou hebben, opdat de engel niet gestoord zou worden door het zonlicht. Zonnestralen waren een bedreiging voor de ernst.’ De vier mannen stonden op. De burgemeester wees aan waar de kapel kon worden gebouwd. De dominee ging naar de aannemer. De dokter gaf de engel een prik om ernstiger te worden, al hielp die niet veel. De pastoor nam de engel mee naar de kelder van de pastorie, waar hij zolang zou mogen logeren. Een donkere kelder, heel rustig, zonder kleuren, waar alleen een paar armzalige straaltjes licht door een klein raampje naar binnen vielen.

Daar zat de engel. Het werd nacht. Een lange, donkere nacht. Bij het eerste ochtendgloren besloot de engel te doen wat een engel nog nooit had gedaan: hij schoot met zijn pijl en boog het raampje van de kelder kapot. Hij vluchtte uit de donkere pastoriekelder en vloog weg uit het dorp. De zon kwam op. De engel ging op een bankje zitten langs de weg en de eerste zonnestralen streken over zijn vleugels. Hij lachte stralend. Want welke engel houdt niet van licht en vrolijkheid?


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 71-72)