De duif zoekt nog steeds*

In het oerwoud heerste de leeuw. ‘Ik ben de koning,’ brulde hij elke ochtend. En ook ‘s avonds brulde hij hetzelfde, want de leeuw vond het plezierig om te brullen. Hij brulde eigenlijk de hele dag: ‘Schiet op, haal dit voor me, breng dat naar me.’ Het was maar al te duidelijk dat de leeuw de koning der dieren was. Een goede koning? De meeste dieren vonden van niet. De wolf mocht alleen maar huilen als de koning hem daartoe toestemming gaf. En dat deed hij bijna nooit. De vogels mochten alleen maar fluiten met goedkeuring van de koning en die kregen ze bijna nooit. De koning verbood de vlinders te dansen in de zon, ook al wilden ze dat nog zo graag. De dieren waren deze koning beu. Ze wilden vrij zijn en huilen, fluiten en dansen wanneer zij maar wilden.

Vandaar dat de dieren op een geheime dag, op een geheime plek op een geheim moment bijeen kwamen. Ze vroegen de olifant of hij hen wilde bevrijden en die vreselijke koning leeuw wilde wegjagen. De olifant hoefde niet lang na te denken. Hij wilde ook wel eens trompetteren als hij er zin in had. Dat mocht ook al nooit van koning leeuw. Vandaar dat de olifant meteen naar het koninklijke paleis draafde, de muren omver liep, een lomp dansje maakte op het koninklijke serviesgoed en met zijn grote slurf koning leeuw eenvoudig van de troon afblies. Vanaf die dag was de olifant de koning der dieren.

Eerst waren de dieren vrij. Ze mochten doen wat ze wilden. De wolven huilden, de vogels floten, de vlinders dansten en de wormen wurmden. Maar het duurde niet lang of de olifant vond dat er te weinig naar zijn getrompetter werd geluisterd. Hij verbood zijn onderdanen te doen waar ze zin in hadden. Nu was het de olifant die elke ochtend trompetterde: ‘Ik ben de koning.’ En ’s avonds trompetterde hij hetzelfde. Eigenlijk trompetterde hij heel de dag: ‘Schiet op, haal dit voor me, breng dat naar me.’ Het duurde niet lang of de dieren waren ook deze koning beu.

Weer kwamen de dieren bijeen op een geheime dag, op een geheime plek op een geheim moment. Zij besloten de olifant weg te jagen. Er zou niemand meer koning zijn. Vanaf nu wilden zij vrij zijn. De wespen zwermden naar het paleis, prikten de olifant in zijn staart, zijn oren en slurf. De olifant vluchtte kermend weg. Vanaf die dag was er geen koning der dieren meer. De dieren waren vrij.

De eerste week ging het goed met de bevrijde dieren. Ieder deed waar hij zin in had. Het was een gehuil, gefluit, gedans, gegons en gewurm van jewelste. Er was zelfs zoveel lawaai dat de mol verstoord uit de grond omhoog kroop om te zien wat er gaande was. Hij zag wel niet zoveel, maar genoeg om te zien dat de dieren begonnen ruzie te maken. Ieder wilde de baas spelen. De wolf hapte naar de vogel omdat hij floot, de vlinder gaf de wurm een vlinderslag om de oren vanwege zijn gewurm en de eend kwaakte en tierde naar de gonzende bijen. Een week later liepen alle dieren met schrammen en blauwe plekken rond door al hun kibbelen en vechten. Ze waren vrij en hadden geen koning meer maar nu wilde elk dier koning spelen. Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren.

Alle dieren kwamen weer bijeen op de plaats die niet geheim meer was. De duif nam het woord en zei: ‘We hebben een wijze koning nodig, een koning die ons in vrijheid wil laten leven en niet alleen de baas wil spelen.’ De dieren knikten. Maar waar viel zo’n koning te vinden? De uil nam het woord: ‘Het schijnt dat de mensen erg wijs zijn. Zouden we niet in de mensenwereld een koning kunnen vinden die niet de baas wil spelen?’ De dieren knikten weer. De duif kreeg de opdracht om naar de mensenwereld te gaan.

Zo vloog de duif naar de mensen en ging op zoek. Hij begon te zoeken naar iemand die wijs genoeg is om anderen in vrijheid te laten leven, een mens die niet de baas wil spelen. Naar ik heb gehoord, zoekt hij nog steeds…


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 18-19)