Bloeien als dank*

Hij danste in de regen. Niet dat hazen zo vaak dansen, zeker niet als het regent. Maar nu wel. Het was maandenlang zo droog geweest! De boombladeren waren dor en geel. In de sloten stond haast geen water meer. De koeien bromden dat er in de wei geen mals gras meer was, alleen maar geel en dor, waar ze een nog stroevere tong van kregen dan ze al hadden. Maar eindelijk regende het. De haas danste van vreugde.

‘Eigenlijk zou ik de hemel willen bedanken voor de regen’, bedacht de haas. ‘Ik ben zo blij dat er weer genoeg water is voor alles en iedereen. Maar hoe doe ik dat? Hoe moet ik “dankjewel” tegen de hemel zeggen?’ Hij ging het de wijze uil vragen. De oude uil dacht diep na. Heel, heel diep. Zo diep dat hij in slaap viel. Maar de haas schudde hem wakker en de uil zei toen: ‘Zeg maar gewoon “dankjewel” tegen de hemel, dat is meer dan voldoende. Dat doe ik ook altijd, iedere dag. Ik geloof dat dat wel een goede gewoonte is.’ Dit antwoord stelde de haas niet tevreden. Hij vroeg door: ‘Maar als je nu heel, hééél blij bent, hoe bedank je dan de hemel?’ De uil was echter weer in slaap gevallen. Hij was een beetje suf en zag niet meer zo goed hoe bijzonder en mooi veel dingen waren.

De haas ging daarop aan de brandnetel vragen hoe je de hemel zou kunnen bedanken voor de regen. Maar de brandnetel mopperde alleen maar en zei: ‘Ik houd niet van regen, alleen van de zon, want die brandt tenminste.’ De regenworm, die toch van regen moest houden, bromde ook alleen maar. Het was wel mooi die regen maar het regenwater vond hij dit keer veel te nat. Toen vroeg de haas het aan de koe. De koe keek de haas lodderig aan en begreep niet eens wat ‘danken’ was. En het varken? Dat knorde dat het nooit bad voor of na het eten en zeker niet voor of na regen.

Zo kreeg de haas maar geen antwoord op zijn vraag: ‘Hoe kan ik de hemel bedanken voor zoveel goeds?’ Hij mompelde zijn vraag toevallig hardop toen hij door de appelboomgaard hupte. ‘Ja, ik weet het’, zei een appelboom. De haas viel achterover van schrik want hij had nog nooit een appelboom horen praten. Terwijl hij op zijn rug lag, keek hij omhoog naar de appelboom. Zijn mond viel open van verbazing. Prachtig! De appelboom begon te bloeien. De bloemblaadjes vouwden zich open en hun kleuren maakten de boomgaard lichter, vrolijker. De appelboom zei: ‘Zo kun je de hemel bedanken.’ De haas keek verbaasd: ‘Maar ik ben een haas, hoe kan ik nou bloeien?’ ‘Door de wereld mooier te maken,’ zei de appelboom, ‘dat kan iedereen.’


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 111-112)