Trekvogels*

Wij kwamen van ver. Met ons achten waren wij: drie vrouwen en vijf kinderen. Ik droeg mijn jongste kind op de rug in een draagdoek en mijn oudste had heel de weg dapper naast me gelopen. Onze mannen leefden niet meer. Ze waren gesneuveld in de wrede oorlog die ons had doen besluiten te vluchten. Wij hadden nog maar net ons leven kunnen redden.

Eindelijk kwamen wij in het land van de sultan. We wilden toestemming vragen om in zijn land te mogen blijven. Misschien dat hij ons zou kunnen helpen met wat voedsel of een baantje. Als wij maar niet terug hoefden.

Toen wij de paleiszaal betraden, lag de sultan te eten en deed zich tegoed aan honingbroodjes, stukjes goudzalm en met noten ingelegde patrijs. Een beker met fonkelende wijn stond naast zijn bord. Soms wierp hij wat kruimels en ander stukjes van de maaltijd naar de vogelkooien om hem heen. In de gouden kooien kwetterden vogels met de mooiste kleuren. Zulke vogels had ik nog nooit gezien. Ze kwamen uit alle windstreken van de aarde.

De koning had duidelijk geen zin om ons te woord te staan, laat staan te helpen. Hij zei dat er in zijn rijk geen plaats was voor vreemdelingen. Het was al moeilijk genoeg om zijn eigen volk voldoende te geven, zuchtte hij. Hij wuifde dat wij weg moesten gaan. Natuurlijk lieten wij ons niet zomaar afschepen. We werden boos! Hadden wij daarvoor die verschrikkelijke tocht gemaakt. Wij deden een beroep op zijn barmhartigheid. We wezen op de kinderen die honger hadden en uitgeput waren. We zeiden dat de wet van zijn land voorschreef dat vluchtelingen en hun kinderen moesten worden beschermd. Maar de sultan bromde alleen: ‘Dames, u kunt zich wel kwaad maken, maar ík ben de wet hier. Ik maak uit wie hier geholpen wordt.’

Het zag er donker uit voor ons en onze kinderen. De wacht kreeg opdracht ons te verwijderen uit de paleiszaal. Ik weet niet waar ik het op dat moment vandaan haalde, maar ik nam opeens het woord: ‘Genadig heer, ik begrijp dat u goed voor uw volk wilt zorgen en geen vreemdelingen wilt toelaten. Toch zie ik dat er wel vreemdelingen zijn in uw land, in uw paleis zelfs …’ De sultan keek verstoord op en vroeg me waar ik het over had. Ik zei: ‘Ik heb het over uw vogels in de gouden kooien, vogels uit alle windstreken. Zij worden hier ook gevoed, met kruimels van uw tafel. Zie ons als trekvogels uit een ver land, die niet meer vragen dan de kruimels van uw tafel, net als de vogels in uw paleis.’ De sultan was even stil. Toen, voor het eerst, glimlachte hij en zei: ‘U hebt goed gesproken. Inderdaad vogels zijn welkom in dit land, ook trekvogels. Zoals de vogels in mijn paleis zal u niets ontbreken.’

Wanneer er nu nieuwe vluchtelingen de sultan om hulp komen vragen, behandelt hij hen, naar men zegt, milder dan voorheen.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 119-121)