Koning Boosaard*

Koning Aart werd ook wel koning Boosaard genoemd. Boosaardig kon hij zijn als geen koning voor hem geweest was. Maar hij zou ook koning Trotsaard genoemd kunnen worden. Hij meende beter te zijn dan ieder ander. Vandaar dat hij zich niet bekommerde om het volk buiten het paleis. Dat gewone volk vond hij alleen maar lastig. Wanneer er iemand kwam om hem iets af te smeken, liet koning Aart hem gewoonlijk door zijn honden verjagen.

Op een dag maakte koning Aart een wandeling door het bos. Hij had zijn lijfwachten naar huis gestuurd, omdat hij meende dat toch niemand de koning kwaad zou willen doen. Als je zag hoe de bladeren naar hem wuifden en de halmen voor hem bogen, leek het duidelijk dat het gezag van koning Aart onaantastbaar was. Maar dat was een pijnlijke vergissing. Want een paar engelen waren het gedrag van koning Aart goed beu en hadden besloten hem een lesje te leren. Toen koning Aart even zijn kleren had uitgedaan om te gaan zwemmen, vlogen ze bliksemsnel omlaag en grepen zijn kroon, zijn hermelijnen mantel en de laarzen met gouden sporen. Alleen zijn hemd lieten zij achter. Die middag stond koning Aart dus in zijn hemd.

Woedend beende koning Aart terug naar het paleis. Hij wilde de paleispoort binnengaan, maar de wachters hielden hem tegen. Zij herkenden die zwerver alleen gekleed in een hemd niet. Hoe hard Aart ook schreeuwde dat hij de koning was, de poort werd voor zijn neus dichtgesmeten. Toen hij bleef aanhouden, werden de honden op hem afgestuurd en koning Aart moest rennen voor zijn leven.

Het werd avond en koud. In de verte zag Aart een paar vuren branden. Hoewel hij bang was, ging hij erheen, gedreven door moeheid en kou. Om de vuren zaten herders die op hun schapen pasten. Zij ontvingen Aart vriendelijk, al lachten zij hem uit om zijn bewering koning te zijn. ‘En wij zijn eskimo’s,’ antwoordden zij spottend. ‘Je kunt hier blijven, als je er maar voor werkt.’ Zo werd koning Aart schaapherder. Elke dag trok hij met zijn kudde door de velden. Daar, in de eenzaamheid, leerde hij wat het was om te zorgen. Dat had hij nog nooit gedaan. Hij leerde dat je naar water op zoek moest als de schapen geen water meer konden vinden. En hij leerde dat je honden niet alleen kunt gebruiken om iemand weg te jagen maar ook om verdwaalde schapen terug te vinden.

Jaren sleet koning Aart zijn leven als herder. Hij zou het nog geweest zijn als niet toevallig een oude hoveling was langsgekomen. Deze hield zijn paard in en keek Aart goed aan. Toen stapte hij af en knielde voor hem neer. De oude hoveling had de verloren koning herkend.

Niet lang daarna keerde Aart terug naar het paleis en regeerde weer als koning over het land. Maar niemand zou hem meer koning Boosaard of Trotsaard willen noemen. Koning Aart wist nu wat armoede was. Nooit meer liet hij door zijn honden mensen verjagen. Hij zorgde voor zijn volk als een goede herder voor zijn kudde. En de engelen? Die lachten in hun vuistje maar nooit meer vielen zij de koning lastig.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 34-35)