Het rupsje

Het eerste wat het rupsje hoorde, toen hij uit zijn eitje kroop, was: ‘Een lekker hapje!’ Het was de kraai, die al klaarstond om het rupsje op te eten. Het tweede wat het rupsje hoorde, was: ‘Ach, het arme wurm, het heeft nog maar een minuut geleefd.’ Dat was de vriendin van de kraai, de merel. Zij had medelijden met het kleine mormeltje. Vanaf die dag zorgden de merel en de kraai voor het kleine beestje. De merel omdat ze veel van het rupsje verwachtte, de kraai omdat zijn vriendin nu eenmaal de baas was.

De merel had plezier in het rupsje en verzorgde het alsof het haar eigen kind was. Ze breide sokjes voor al zijn voetjes, ook al waren dat er meer dan zeventig. Als andere vogels en ander gespuis het rupsje wilden opeten, riep ze: ‘Vlieg op!’ Ze keek daarbij zo onaardig dat niemand het rupsje iets durfde aan te doen.

Maar de kraai zag in het rupsje nog altijd een lekker hapje. Hij begreep niet dat de merel en hij voor het beestje moesten zorgen. ‘Het heeft veel te veel voetjes,’ mopperde hij, ‘dat is niet normaal meer. Twee zoals bij een vogel is normaal, of vier zoals bij een koe, zes desnoods zoals een spin, maar meer dan zeventig is te veel. Daar komt nog bij, het beest eet te veel bladeren. Dat vindt de boswachter vast niet goed. Daarom zit er maar één ding op: hem opeten.’

De merel had genoeg het gezeur van de kraai. ‘Eet het dan maar op,’ zei ze, ‘je moet het zelf maar weten als je de rupsenziekte wilt krijgen.’ ‘De rupsenziekte?’ zei de kraai verbaasd. ‘Je hoort me wel,’ zei de merel. ‘Jij weet net zo goed als ik dat kraaien die rupsen eten allemaal rimpels krijgen. Vooral rond hun ogen, wel zeventig of meer. Kraaienpootjes noemen ze dat.’ ‘Da’s spijtig,’ zei de kraai, ‘nu kan ik het rupsje nog niet opeten.’

De kraai kreeg een steeds grotere hekel aan het rupsje. Vooral toen het rupsje een cocon begon te spinnen en daarin verdween. ‘Zie je nou wel, nu is het weg,’ zei de kraai tegen de merel. ‘Stank voor dank, ondanks dat je zo veel voor hem hebt gedaan.’ ‘Welnee,’ zei de merel, ‘het beestje slaapt, wacht maar af, het komt wel terug. En ik denk dat hij ons dan zal verrassen.’ Maar de kraai geloofde er niks van en ging naar de ekster om te vragen of hij een cocon wilde kopen. Die bood er een halve worm voor. Het leek de kraai beter dan niets. Maar de merel wilde er niet van weten. ‘Wacht maar af,’ zei ze.

En dat waren de laatste woorden die de kraai van haar hoorde. Niet omdat de merel nooit meer wat zei, maar omdat de kraai wegging. Voorgoed ‘Muh ...’ zei hij, en: ‘Pfff ...’ en ook nog: ‘Tsss ...’ Waarmee hij bedoelde dat hij het allemaal maar niks vond.

Maar de merel wachtte en wachtte en wachtte. Op een ochtend werd zij wakker en zag dat de cocon leeg was. Erbovenop zat een vlinder. Met mooie vleugels waarop een prachtige tekening stond met de mooiste kleuren. Met levendige oogjes keek de vlinder naar haar. Het waren dezelfde oogjes als van de rups. De merel begon te lachen. Helaas weet ik niet hoe dat eruit ziet, want ze sloeg tegelijkertijd haar vleugels voor haar snavel van blijdschap.

En de kraai? Die hebben ze niet meer teruggezien.