De zwarte mutsjes

Stiekem verlangden de kinderen naar een zak snoep. Maar niemand durfde dat te zeggen. Want de zwarte kraaien waren de baas in het land en die zeiden: ‘Dat kan niet en dat hoort niet en dat mag niet.’ Er was eens een meisje dat toch verlangde naar snoep. Ze werd voor straf in haar neus gepikt, wel drie keer. De zwarte kraaien zeiden: ‘Wij verlangen dat er geen verlangen meer is.’

De zwarte katten hoorden dat. ‘Die kraaien verlangden toch nog iets, namelijk dat er geen verlangen is. Dat kan niet en dat hoort niet en dat mag niet.’ Vandaar dat de zwarte katten de zwarte kraai wegjoegen en de baas werden in het land. Nu was er een jongen die toch naar snoep verlangde. Hij werd gekrabd, wel vier keer. De zwarte katten zeiden: ‘Wij verlangen niets.’

De zwarte kabouters hoorden dat. ‘Die zwarte katten zeiden dat ze iets verlangen, namelijk niets. Dat kan niet en dat hoort niet en dat mag niet.’ Vandaar dat de zwarte kabouters de zwarte katten wegjoegen en de baas werden in het land. Niemand durfde meer iets te verlangen. Als een meisje of een jongen dat toch deden, werden ze geknepen, wel vijf keer.

De zwarte kabouters gingen overal kijken of het verlangen echt weg was. Op een dag wilden ze deze kerk bezoeken. De koster zei dat dat goed was, maar ze moesten wel hun mutsjes afdoen, want in de kerk moet je een beetje eerbiedig zijn. De zwarte kabouters hingen hun zwarte mutsjes op en keken de kerk rond. ‘De ramen zijn veel te mooi,’ zeiden ze tegen de koster. ‘We willen dat er geen licht meer doorheen valt, want dat zouden de mensen maar op de gedachte kunnen brengen dat verlangens mooi zijn.’ De koster zei dat hij er ook niks aan kon doen. Dat licht kwam van de zon. ‘Dan moet de zon ophouden te schijnen,’ vonden de kabouters. De koster zei dat hij de zon niet kon doen ophouden te schijnen. De kabouters wilden weten wie dan de baas was van de zon. De koster meende dat dat God was. Dan wilden die kabouters God opdracht geven om de zon uit te doen. Maar de koster schudde het hoofd: ‘We lezen hier elke zondag in een boek waarin staat dat God zelf licht is. Dus Hij zal vast en zeker verlangen dat de zon blijft schijnen.’ De ogen van de zwarte kabouters werden nog zwarter. ‘Wat? Staat er in dat boek iets over verlangens?’ De koster knikte: ‘Op elke bladzijde - verlangen naar vriendschap, vrolijkheid, goedheid, vrede en nog veel meer.’

De zwarte kabouters besloten dat dat boek weg moest uit de kerk. Maar de koster had schoon genoeg van ze en joeg ze met een bezem de kerk uit. In de kerk is voor iedereen plek, maar niet voor zwarte kabouters die niet van verlangen houden. Ze vluchtten halsoverkop naar buiten.

Hun zwarte mutsjes vergaten ze. Als je me niet gelooft, kijk maar, ze hebben er collectezakken van gemaakt. Daarmee zamelen we geld in voor mensen die verlangen naar genoeg eten en drinken, naar licht en misschien ook wel naar snoep.