De slavenhandelaar*

Scheepskok IJsbrand glimlachte. Hij stond aan de reling en keek uit over zee. Zijn schip voer langs de kust van Afrika. In de verte zag IJsbrand het vaste land, de bergen, de palmen. In gedachten keerde hij terug naar wat er zich hier jaren geleden had afgespeeld.

IJsbrand was toen schipper geweest op een zeilschip. Het was zijn eigen schip geweest, een groot schip met drie masten. Hij vervoerde er allerlei vracht mee: peper en kaneel uit Indië, zijde uit China, berenhuiden uit Amerika. En slaven, negerslaven uit Afrika.

IJsbrand wist wel dat die negerslaven een ellendig bestaan hadden. Ze werden door wrede handelaars geroofd uit de negerdorpen in het binnenland. Ze namen mannen, vrouwen en kinderen gevangen en verkochten hen later als slaaf. Schipper IJsbrand had al heel wat ladingen slaven vervoerd. ‘Handel is handel,’ had hij steeds gezegd. Elke keer weer had hij gezien hoe de slaven aan boord van zijn schip werden gedreven. Zij staarden meestal niet begrijpend en triest voor zich uit. De meesten huilden wanneer het schip de haven verliet.

Al zei IJsbrand stoer dat het hem niet raakte, er knaagde wel iets in zijn binnenste. Langzaam groeide in het hart van schipper IJsbrand het medelijden met die arme drommels. Het was alsof er een zware steen op zijn hart lag die steeds zwaarder werd. De negerslaven waren hun vrijheid kwijt, hun land. En erger nog, straks zouden vaders en moeders en kinderen apart verkocht worden. Zij zouden ook nog elkaar kwijt raken.

Eens had IJsbrand een nieuwe lading slaven gekregen. De nacht nadat ze waren uitgevaren, lag IJsbrand te woelen in zijn kooi. Hij bedacht dat hij de slaven liever stiekem los zou laten. Maar voor elke slaaf die hij kwijt raakte, moest hij veel geld betalen aan de eigenaars. Zoveel geld had hij niet. Hoe kon hij die slaven hun vrijheid teruggeven? De hele nacht sliep hij niet en peinsde. Opeens, in de vroege ochtend sprong IJsbrand zijn kooi uit. Hij rende naar beneden, naar één van de ruimen en begon een gat te boren in de wand van het schip. Het duurde niet lang of hij had een groot gat gemaakt. Het water golfde naar binnen. ‘Alle hens aan dek,’ riep IJsbrand. ‘We vergaan. Maak alle slaven los. Iedereen naar de reddingsboten.’ Het schip van IJsbrand ging ten onder. De bemanning en de negerslaven voeren in de reddingsboten naar het land. Daar maakten de slaven natuurlijk dat ze weg kwamen. Terwijl Schipper IJsbrand hen nakeek, was het alsof de zware steen in zijn binnenste langzaam verdween. Met een licht hart keerde IJsbrand met zijn bemanning terug naar de haven. ‘De schipper kon er niets aan doen, dat de slaven ontsnapten,’ vertelden de bemanningsleden aan de rechters. ‘Als hij de slaven niet had losgemaakt, waren ze allemaal verdronken.’ De rechters hadden IJsbrand daarom laten gaan.

Zo was IJsbrand zijn schip kwijt geraakt. Hij had aangemonsterd op een ander schip, als scheepskok. Op dat schip voer hij nu al heel wat jaren. Vandaag voeren ze weer langs Afrika. IJsbrand dacht aan het schip dat van hem was geweest en nu op de bodem van de zee lag. Hij dacht ook aan de slaven die weer vrij waren, aan de vaders, moeders en kinderen die wel weer een dorp zouden hebben gebouwd. Hij had geen schip meer, maar wel een licht hart en een glimlach op zijn gezicht.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 20-21)