De moeilijke vragen

Ze keken een beetje peinzend. Ze keken een beetje wazig. En ze keken een beetje moeilijk. Wie het waren? Het waren een paar moeilijke vragen die zo keken. Die vragen zagen er heel verschillend uit. De ene had een spijkerbroek aan, de andere een bloemetjesjurk en weer een andere droeg een geel dasje. Ze dachten heel veel en je hoorde ze ook denken: ‘Ehhhhhhhhhhh.’ Je begrijpt het al, het waren echt heel moeilijke vragen.

Wat voor vragen waren het dan? Die met die spijkerbroek aan, dat was de vraag waarom we handen hebben. Waarom hebben we niet twee voeten aan onze armen? De moeilijke vraag met de bloemetjesjurk aan zei: ‘ik wil weten waarom de zon overdag schijnt.’ En de moeilijke vraag met het gele dasje had ook al zoiets bijzonders: ‘Waarom hebben mensen een hart en niet een motortje om hun bloed rond te pompen?’ Nou, probeer op die vragen maar eens een antwoord te vinden.

Die moeilijke vragen waren weleens bij de neushoorn geweest voor een antwoord. Je weet, de neushoorn is heel slim. Maar toen hij die moeilijke vragen hoorde, zei hij alleen maar: ‘Ik krijg een punthoofd van jullie vragen.’ En dat hij niet jokte, kun je nog altijd zien. De neushoorn heeft nog altijd een... neushoorn, een punthoofd dus.

De moeilijke vragen waren ook bij de ijsbeer geweest voor een antwoord. Je weet, de ijsbeer is heel slim. Maar toen hij die moeilijke vragen hoorde, zei hij alleen maar: ‘Ik krijg het heen en weer van jullie vragen.’ En dat hij niet jokte, kun je nog altijd zien. Ga maar naar de dierentuin. De ijsbeer staat daar vaak met zijn hoofd heen en weer te zwaaien.

Toen besloten de moeilijke vragen naar God te gaan voor een antwoord. Ze huurden een luchtballon en stegen op. Ze kwamen een wolk tegen en vroegen waar ze God konden vinden. De wolk wist dat niet, maar wist wel dat een eindje verderop een heel oude, wijze wolk dreef. De moeilijke vragen gingen naar hem toe en vroegen of hij wist waar God was. De oude wijze wolk schudde zijn hoofd: ‘Dat weet niemand. Maar stel je vragen maar aan mij, misschien dat ik het antwoord weet.’

De moeilijke vraag met de spijkerbroek begon: ‘Waarom hebben we handen en geen voeten aan onze armen?’ ‘Dat is gemakkelijk’, zei de wolk. ‘Met handen kun je iemands fouten door de vingers zien en dat kan niet met voeten.’ Toen mocht de moeilijke vraag met de bloemetjesjurk: ‘Waarom schijnt de zon overdag?’ ‘Dat is ook gemakkelijk’, zei de wolk. ‘De zon zorgt voor het licht waardoor we elkaars ogen kunnen zien. Dat is het mooist dat je kunt zien. Behalve als je een zonnebril opzet natuurlijk.’ Als laatste mocht de moeilijke vraag met het gele dasje: ‘Waarom hebben mensen een hart en niet een motortje om hun bloed rond te pompen?’ ‘Dat is ook niet zo’n moeilijkste vraag’, zei de wijze wolk. ‘Mensen hebben een hart en geen motortje vanbinnen zodat ze hart kunnen hebben voor elkaar. Want weet je, God woont niet hier in de wolken, maar diep in het hart van ieder mens.’

De vragen bedankten de wijze wolk voor zijn wijze woorden. Ze stapten weer in de ballon en keerden terug naar huis. Mocht je ze tegenkomen, ze kijken nu wat minder peinzend en wazig en moeilijk. Maar ze dragen nog altijd een spijkerbroek, en bloemetjesjurk en een geel dasje.