De mensenvanger*

Wie aan de kleine Johannes vroeg wat hij later worden wilde, kreeg nooit een antwoord. Johannes wist het eenvoudig niet. Zijn vriendjes droomden ervan om boer, soldaat of ontdekkingsreiziger te worden. Maar hoe Johannes ook over zijn toekomstige beroep peinsde, hij kon niets bedenken.

Op een dag was de kleine Johannes groot geworden. Het werd tijd dat hij een vak zou leren. Hij verliet daarom zijn huis om een beroep te gaan zoeken. Maar waar hij ook kwam, bij vissers, houthakkers of burgemeesters, nergens vond hij een beroep dat hem paste. Koning, dat leek hem wel wat. Maar daar was er maar één van nodig en die was er al.

Tegen de avond kwam Johannes aan bij een eenvoudige hut aan de rand van het bos. Hij was hongerig en moe en klopte aan. Een stevig uitziende man deed open. ‘Kom binnen.’ De deur zwaaide open en Johannes werd direct naar de tafel gebracht waar een schaal met heerlijk eten stond. ‘Bent u kok?’ vroeg Johannes na zijn honger te hebben gestild met het heerlijke eten. ‘Nee, mensenvanger,’ antwoordde de man. Johannes schrok. ‘Hebt u mij nu gevangen?’ ‘Vanzelf,’ antwoordde de mensenvanger, ‘ik zei toch al dat ik mensenvanger was.’ ‘Zet u mij in een kooi of gaat u mij nu opeten?’ bibberde Johannes. ‘Niet dat ik weet,’ antwoordde de mensenvanger. ‘Wees blij dat ik je gevangen heb. Kijk maar naar buiten.’ Buiten stortregende en onweerde het. ‘Ik heb je weggevangen uit het noodweer,’ zei de man. ‘Zoiets mag ik graag doen; je in een kooi zetten of opeten lijkt me niet echt nodig.’

De volgende ochtend was het stralend weer. De mensenvanger ging vroeg op pad en Johannes liep met hem mee. In de verte hoorden zij hulpgeroep. ‘Mooi,’ zei de mensenvanger, ‘werk aan de winkel.’ Op een draf liep hij naar de rivier en viste er een schippersknecht uit die van boord was gevallen. ‘Een goed begin is het halve werk,’ sprak hij en ging fluitend verder. In de verte zagen zij een kind op straat spelen dat er geen erg in had dat een paard en wagen snel naderden. De mensenvanger rende erheen en graaide het kind vlak voor de wielen weg. De geschrokken moeder wist niet hoe ze de man bedanken moest. Maar hij was al weer op weg. Een paar straten verder zat een vrouw te grienen op een muurtje. Ze had geen geld meer om haar kinderen te voeden. De mensenvanger bracht haar naar iemand die helpen kon. Fleurig vervolgde hij zijn weg. Johannes, die al die tijd met hem meegelopen was, sprak: ‘Een mooi vak hebt u. Verdient het wat?’ De mensenvanger knikte: ‘Meestal een onbetaalbare glimlach, zo drie of vier keer per dag.’

Johannes dacht even na: ‘Kunt u mij het vak leren?’ De mensenvanger keek hem aan: ‘Heb je een hart?’ Johannes meende van wel. ‘Dat is voldoende,’ zei de mensenvanger. En zo leerde Johannes eindelijk een vak.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 9-10)