De gaapzieke koning*

Koning Sulfius de Zevende geeuwde luid en lang. De lakeien konden de kiezen in zijn open mond gemakkelijk tellen, maar dat deden ze niet. Ze hadden ze al zo vaak geteld. Het aantal koninklijke kiezen was bekend. Koning Sulfius gaapte namelijk altijd. De arme vorst leed aan de vreselijke gaapziekte. Elke minuut geeuwde hij zo dat alle dienaren en slavinnen er slaap van kregen. Sulfius leed zwaar onder zijn ziekte. Op advies van zijn raadgevers liet hij in het land het bericht rondgaan dat wie hem kon genezen vorstelijk zou worden beloond.

Er kwamen beroemde dokters naar het paleis. Ze gaven Sulfius pillen en poeders. Ze hielpen niet. Koning Sulfius werd niet boos. Hij had de falende geneesheren naar de barre noordelijke provincies kunnen verbannen. Maar hij was de kwaadste niet en liet hen gaan. Uitgebreid gapend zwaaide hij hen uit.

Vervolgens kwamen er danseressen, goochelaars, clowns en acrobaten naar het paleis. Maar hun voorstellingen werden verstoord door het luide geeuwen van Sulfius. Niemand kon zijn gaapziekte verhelpen. Sulfius zond hen niet naar de kerkers, noch liet hij hen voor de leeuwen werpen. Zijn vader zou anders hebben gehandeld hebben. Maar Sulfius de Zevende was de kwaadste niet. Ook hen zwaaide hij bedroefd en geeuwend uit en keerde slaperig terug naar zijn troon.

Lange tijd kwam er niemand om de koning te genezen van zijn vreselijke kwaal. Tot er op een morgen een klein mannetje met een grote baard de troonzaal binnenstapte. ‘Goedemorgen, mijn koning, ik ben gekomen om u van uw gaapziekte te genezen,’ sprak het kereltje parmantig. Sulfius keek het mannetje met open mond aan. Niet zozeer omdat hij verbaasd was, maar omdat hij weer moest geeuwen. ‘Hoe wou je dat doen, beste vriend? Zelfs de beste dokters en knapste danseressen hebben me niet kunnen helpen!’ Het mannetje keek de koning aan: ‘Zoek een ruim hart, dan zult u genezen worden.’ Koning Sulfius keek het mannetje weer met een open mond aan, maar nu van werkelijke verbazing. ‘Een ruim hart?’

De volgende ochtend zette Sulfius zijn kroon stevig op het hoofd en ging op pad. Hij zocht in bosjes, keek in grotten, groef in de grond op zoek naar een ruim hart. In de loop van de middag kwam hij langs een kruising waar een magere vrouw zat te kleumen. ‘Mevrouw, weet u misschien een ruim hart te vinden?’ ‘Nee, heer koning, zoiets heb ik nog nooit gezien,’ zei ze bibberend. Haar tanden klapperden van de kou. En omdat Sulfius de kwaadste niet was, trok hij zijn hermelijnen mantel uit en gaf die aan de vrouw.

Sulfius vervolgde zijn zoektocht. In het bos kwam hij een kabouter tegen, kromgegroeid van ouderdom. Hij duwde met moeite een kruiwagentje met sprokkelhout. Sulfius kreeg medelijden met de kabouter, want zoals gezegd, hij was de kwaadste niet. Hij hielp de kabouter het hout naar zijn holle boom te rijden. Onderweg vroeg hij of de kabouter misschien wist waar hij een ruim hart kon vinden? Deze wist veel want hij had al lang geleefd, maar een ruim hart? Nee, waar dat te vinden was, wist hij niet.

De koning vervolgde somber zijn weg door het bos. Plotseling zag hij een wolf. Hij schrok van het gevaarlijke dier. Maar al gauw ebde zijn schrik weg toen hij zag dat de wolf vast zat in een val. Zijn poot was gebroken en bloedde. De wolf jankte zacht en keek Sulfius smekend aan. ‘Maak mij los, laat mij gaan!’ Sulfius maakte hij het beest voorzichtig los, want zoals wij nu langzamerhand wel weten, hij was de kwaadste niet. Hij droeg de wolf naar zijn hol en verzorgde zijn wonden. De wolf had al dagen niets gegeten en de koning haalde bij de slager een paar lekkere gehaktballetjes. De wolf keek hem dankbaar na toen Sulfius zijn weg vervolgde.

Sulfius keerde terug naar het paleis. Het kleine mannetje stond nog steeds in de paleiszaal. ‘En?’ ‘Ik heb geen ruim hart kunnen vinden,’ antwoordde Sulfius. ‘Nog iets?’ vroeg het kereltje. Sulfius dacht na en zijn gezicht klaarde op: ‘Tja, nu je het zegt, ik heb de hele dag niet gegeeuwd!’ Sulfius gezicht betrok weer: ‘Hoe is het mogelijk? Ik heb u toch geen ruim hart kunnen bezorgen.’ Het mannetje glimlachte en sprak: ‘U hoeft mij geen ruim hart te overhandigen. Het was genoeg dat u in u zelf een hart ruim meedroeg. Wie daadwerkelijk daarnaar leeft, zal nooit de gaapziekte krijgen.’


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 13-15)