De droom van de generaal*

Hilarius, de generaal, zat op een bankje voor zijn huis. De zon scheen door de bomen van het bos. De gele en rode bloemen in de kleine tuin toverden een glimlach op het gezicht van Hilarius. De rimpels in zijn gezicht vertelden dat hij al oud was. Wat zat hij daar heerlijk. In de lentewarmte dommelde de oude Hilarius langzaam weg. Hij begon te dromen over vroeger.

Wie was hij vroeger ook al weer geweest? O ja, dat was waar ook, generaal was hij geweest. Een bijzondere generaal. Anders dan de generaals van Amerika, Rusland, China, Frankrijk, Duitsland, Nederland en al die andere grootmachten. Eens had generaal Hilarius voorgesteld om alle legers op te heffen. De soldaten hadden gejuicht bij het horen van dit plan. Maar de koningen, ministers en generaals van alle landen waren boos geworden. Stel je voor, geen legers meer! Wie moest dan het land verdedigen? En hoe zouden de generaals een ander baantje kunnen vinden? Ze vonden het allemaal een gevaarlijk idee. De soldaten zouden er maar onrustig van worden. Vandaar dat ze hadden besloten om generaal Hilarius gevangen te nemen. Dan kon hij met zijn opruiende praatjes geen onrust meer zaaien.

Net op tijd had Hilarius gehoord van de boze plannen van de generaals. Het leek hem niets om oud te worden in de gevangenis en hij besloot daarom te vluchten. Hij trok diep het bos in en bouwde er een eenvoudig huisje. Daar woonde hij alleen. Hoewel, helemaal alleen was hij er niet. De dieren van het bos werden zijn vrienden. Als hij zin had in een goed gesprek, maakte hij een praatje met de wijze uil. Als hij zin had in een worteltje dan kwamen de konijnen hem er één brengen. Als hij trek had in brood vlogen de raven weg om niet lang erna terug te keren met heerlijk verse broodbrokken. Hilarius vroeg maar niet waar ze die vandaan hadden. En als hij gedroomd had, dan praatte hij erover met de duif. Want als geen ander dier begreep de duif zijn dromen, vooral zijn dromen over een wereld waar mensen in vrede zouden leven.

De oude generaal keek de duif met een trieste glimlach aan. ‘Waar halen we de vrede vandaan, beste duif, weet jij het?’ De duif antwoordde dat de vrede in de hemel lag, daar moest zij te vinden zijn. Hilarius schudde mistroostig zijn hoofd: ‘Dat is te ver weg, duif. Zelfs als ik vleugels zou hebben als jij zou ik toch niet weten hoe ik de vrede uit de hemel naar beneden zou kunnen brengen.’ ‘Maar ik weet het wel’, koerde de duif. Hij knipoogde naar Hilarius, klapwiekte omhoog en verdween in de richting van de hemel.

Hoog in de hemel aangekomen zocht de duif naar een gouden wolk. In die wolk zou de vrede liggen. Een vriendelijke engel wees hem de weg: ‘linksaf en bij de derde wolk rechts, kan niet missen ...’ Het duurde niet lang of de duif vond de gouden wolk. Eén pik in de wolk was genoeg: het begon te regenen. Onzichtbaar goud regende uit de wolk naar beneden. De gouden regen kwam in de huizen van de mensen. Maar daar gebeurde niets. Het kwam in de holen van de muizen. Daar gebeurde ook niets. Het kwam in de kazernes van de generaals … Daar gebeurde wel wat. De gouden regen bleek een toverregen te zijn. Alle generaals werden omgetoverd tot dieren. De generaal van Amerika veranderde in een adelaar. De generaal van Rusland veranderde in een beer, die van China in een panda, die van Frankrijk in een haan. De Duitse generaal begon te blaffen als een Duitse herder. De Nederlandse generaal lag lui te knipogen als leeuw. De dieren zochten elkaar op en begonnen te spelen. De Amerikaans adelaar maakte een dansje met de Franse haan. De Chinese panda en de Russische beer keken verliefd naar elkaar. De Duitse herder voetbalde gezellig met de Nederlandse leeuw. Het leek wel een dierenspeeltuin, nee, een dierenspeelparadijs.

De oude generaal schrok wakker. Had hij gedroomd? Hij glimlachte. Hoe oud hij ook was, nog steeds droomde hij van vrede zoals vroeger. Hilarius keek omhoog naar de hemel. Daar achter die witte wolken, schitterde daar niet ergens een gouden wolk?


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 19-21)