Het verhaal van de ster

I De aankondiging van de geboorte

Hoe het is om een ster te zijn? Nou, licht, heel licht. Een beetje warm. En heel verrassend. Zoals die avond toen mijn oude vriend Gabriël, de engel, langs me heen zoefde. ‘Ho, ho, riep ik, waar gaat dat heen?’ Gabriël vertelde: ‘Ik moet naar een meisje ergens in het oude Israël. Maria heet ze. Je moet me vannacht een beetje bijlichten, lieve ster, anders kan ik haar huisje niet vinden in die donkere wereld hier beneden.’ En weg was Gabriël. Ik lichtte hem natuurlijk bij. Ik zag hoe Gabriël naar Maria ging en dat haar neus bleek werd van schrik. Hoe zou jouw neus eruit zien als er ineens een engel voor jouw neus stond? Gabriël zei: ‘Maria, je zult een kind krijgen en je zult hem de naam Jezus geven. O ja, wat ik nog zeggen wou, je kind is een cadeau van God, niet vergeten hoor!’

Maria zei verbaasd: ‘Ik ben nog niet getrouwd, hoe kan ik dan een kind krijgen?’ Gabriël: ‘Ik zei toch, niet vergeten: het is een cadeau van God! Dag Maria, ik moet weer gaan.’ Zoef! Gabriël vloog weg. Waarheen? Naar een plek waar engelen graag komen: naar een droom.

En Maria? Ze ging ook op weg. Naar haar nicht Elisabeth, om te vertellen wat ze had meegemaakt. Dat ze een kindje zou krijgen, ook al was ze nog niet getrouwd. En dat ze er niks van begreep. Elisabeth begreep het ook niet. Behalve dan dat het kind een groot cadeau van God is. Want dat is toch eigenlijk ieder kind!

En wie het ook niet begreep was Jozef. Zou Maria in verwachting zijn van een kind? Wie kon hem dat uitleggen? De engel Gabriël misschien? O ja, ik had toch verteld dat Gabriël op weg was naar een droom? Hij was op weg naar een droom van Jozef. Gabriël vertelde aan Jozef, ’s nachts in een droom, dat dit kind een groot cadeau van God was en een wonder en de hoop van alle mensen en een droom die werkelijkheid zou worden. Jozef keek een beetje wazig voor zich en begreep het nu helemaal niet meer. Dat doet niemand trouwens.


II Maria en Jozef naar Bethlehem

(Hoe het is om een ster te zijn? Nou, best leuk. Ik sta lekker hoog aan de hemel en ik zie van alles beneden op aarde. Ik keek vaak naar dat meisje Maria. Wat de engel Gabriël haar vertelde, dat ze in verwachting was van een kind, dat klopte als een bolle buik. Ik zag de buik van Maria steeds groter worden. Dat kind in haar buik was werkelijk een groot cadeau en het zou me niet verbazen dat dit kind Jezus later een groot mens zou worden.

Jammer dat er ook koningen zijn die menen dat ze groot zijn. Zo iemand was bijvoorbeeld Augustus, die zichzelf zo groot vond, dat hij de naam ‘koning’ te klein vond en zich daarom ‘keizer’ liet noemen. Dat klonk volgens hem mooi deftig en duur en diepzinnig en duizelingwekkend en dergelijke. Hij was de machtige baas van het land en bezat heel veel, zelfs zoveel dat hij niet wist hoeveel, en zelfs nog een beetje meer. Maar toch vond hij zichzelf nog altijd arm. Heel arm zelfs. Hij vond dat je moest zorgen voor de armen. Augustus maakte daarom een wet dat iedereen aan hem belasting moest betalen. Hij wist zeker dat iedereen dat graag zou doen voor hem. Iedereen wilde toch graag een arme koning - pardon: keizer - helpen? Iedereen moest naar zijn geboorteplaats om zich te laten inschrijven. Dan wist de koning - pardon: de keizer - hoeveel mensen er in zijn land waren en hoeveel ze aan de koning  - pardon: de keizer - mochten betalen.

Maria en Jozef moesten naar hun geboorteplaats Bethlehem om zich in te schrijven. Ik zag ze lopen. Soms mocht Maria even op een ezeltje zitten. Ze was zo moe. Ze sjokten voort. Ik, de ster, gleed langs de hemel met hen mee. Ik liet mijn licht helder stralen. Dan hadden ze nog een beetje licht als het donker werd.

Toen ik omkeek, zag ik dat er anderen achter me aan sjokten. Drie kamelen en op die kamelen zaten drie wijzen. Ze keken omhoog, naar mij om precies te zijn. Het leek wel of ze me volgden. Ik hoorde ze praten: ‘Die ster schijnt zo helder, het lijkt wel of hij ons naar dat bijzondere kind, dat geschenk van God, dat geboren gaat worden wil brengen.’ Ach, die wijzen dachten dat ik helder scheen voor hen. Nou ja, als zij evenals Jozef en Maria daardoor beter hun weg konden vinden in het donker, mij best. Eigenlijk vind ik het wel een beetje leuk als mensen naar mij opkijken. Dan voel ik me echt een ster.

 

III Maria en Jozef in Bethlehem

Hoe het is om een ster te zijn? Dat is mooi. Je hebt al ster in elk geval een mooie plek waar je thuis bent: aan de hemel. Niet iedereen heeft zo’n mooie plek. Zeker niet als je op reis bent en arm en stoffig en in verwachting. (dia 20) Jozef en Maria kwamen aan in Bethlehem. Ze hadden een lange reis achter de rug en ze hadden ook nog pijn in die rug van het lopen. Maria had daarbij een buik die heel zwaar was door haar kindje. Al voelde Maria dat niet, want een moeder vindt haar kind meestal nooit zwaar. Jozef en Maria wilden graag uitrusten en slapen. Ik, de ster, zag hoe ze op zoek gingen naar een slaapplaats.

Ik bleef staan boven het kleine dorpje Bethlehem. Hier zou het kind van Maria en Jozef worden geboren, dat grote cadeau van God. Het was maar een gewoon plaatsje. Maar dat kind zou bijzonder zijn. Het was een armzalig dorpje. Maar dat kind zou alle mensen rijker maken. Hoe ik dat wist? Ik wist het niet, maar ik voelde het aan mijn sterrenlicht. Ik kon er niets aan doen, maar dat werd steeds helderder en lichter en vrolijker en fonkelender.

Jozef en Maria kwamen bij de eerste herberg. ‘Klop, klop,’ klopten ze op de deur. Er kwam een herbergier naar buiten en die zei: ‘Vol.’ Ze gingen naar de tweede herberg. ‘Klop, klop.’ ‘Voller,’ zei de herbergier. ‘Klop, klop.’ Ze waren al bij de derde herberg. ‘Volst,’ zei de herbergier. Toen was er nog één herberg over. ‘Klop, klop.’ De vrouw van de herbergier kwam naar buiten. ‘Leeg,’ zei ze, ‘de stal is leeg. Nou ja, er staan een os en wat ezels en een stelletje kalkoenen en een kribbe, maar verder is de stal leeg. Daar mogen jullie wel slapen vannacht. Dat is beter dan buiten, waar die ster zo helder staat te schijnen. Het lijkt wel dag. In de stal is het donker en warm.’

Nou, ik, de ster, kon er toch ook niks aan doen dat mijn licht zo helder scheen? Dat ging vanzelf. Normaal deed ik dat ook niet. Maar dit zou geen normale nacht worden, maar een heel bijzondere.


IV De engelen en de herders

Hoe het is om een ster te zijn? Soms wel eens saai. Vooral als er niets bijzonders gebeurt. Maar deze nacht was niet saai. Ineens kwamen mijn vrienden de engelen weer langs me heen gezoefd. Zoef, zoef, het waren er nu heel veel. Ze hadden hun gouden trompetjes bij zich. Dat gebeurt alleen als er iets bijzonders gebeurt. Ik wist het zeker: dit wordt geen saaie avond. Dat vonden de herders daar beneden ook niet. Ze lagen in het veld, dat was niet zo bijzonder. Daar lagen ze wel vaker. Maar nu lag er ook een glimlach op het veld. Ik kan het niet anders zeggen. Dat licht van die engelen leek wel een glimlach over de hele wereld. En toen begonnen ze te spelen en te zingen. Geen saai liedje. Ik zei toch al dat het niet saai was die nacht. Nee, de hemel danste. De maan wiegde. De zee begon te golven en is daar nooit meer mee opgehouden, tot op de dag van vandaag. Als je me niet geloven wil, ga maar kijken in Zandvoort.

Toen vonden de engelen dat het mooi genoeg was geweest, dat zingen en trompetspelen. Ze vertelden de herders dat er een bijzonder kind was geboren. Het grote cadeau aan Maria en Jozef en eigenlijk aan alle mensen. Hij zou mensen vrede brengen, in hun hart en hopelijk ook in de wereld. De herders moesten maar naar de stal van Bethlehem gaan, daar zouden ze het kind vinden.

De herders hadden eigenlijk niet zo’n zin om bij hun warme vuren vandaan te gaan. Maar ze wisten dat het nu eenmaal in het kerstverhaal staat dat ze naar de stal en de kribbe en het kind gingen. Dus nu deden ze het ook weer. En ook die nacht namen ze hun schapen mee.

Die schapen begrepen niets van kerst, niets van engelen, niets van een hemel en zeker niets van een cadeau van God, maar ze zagen wel een klein, pas geboren kind in de kribbe. Ze hielden op met mekkeren. Want dat gebeurt er als je iets moois ziet, dan mekker je niet meer en je blaat geen onzin meer. De schapen hielden hun mond en keken vol verwondering naar het kind in de kribbe.

O ja, ik zag ook nog een paar kalkoenen in die stal. Met kerstmutsen op. Dat vond ik vreemd. Kalkoenen hebben meestal een hekel aan kerst en vreemd genoeg ook aan kerstdiners. Maar toch stonden ze er nu. Vol van verwondering.

 

V De wijzen uit het Oosten

Hoe het is om een ster te zijn? Ach, je krijgt van alles achter je aan. Zoals die drie kamelen met hun wijzen. Ze waren achter me aan lopend ook in Bethlehem aangekomen.

Vreemde wezens, die kamelen. Ik vind ze nogal eigenwijs. Ze kijken alsof het hun allemaal niks kan schelen. Onverstoorbaar. Ondoorgrondelijk. En toch ben ik een beetje verliefd op ze. Die ogen, hè, ze hebben zulke lieve, donkerbruine ogen. Net zo lief als hertenogen en paardenogen. Dus geen kwaad woord over die eigenwijze beesten. En zeker vanavond niet, op kerstavond, op deze avond van het kind van de vrede. Want voor hem kwamen ze. Nou ja, hun baasjes dan. Dat waren de drie wijzen uit het Oosten. Ze heetten Caspar, Melchior en Balthasar. Ze waren mij gevolgd, niet omdat ik zo’n geweldige ster zou zijn - jammer eigenlijk - maar omdat ze wisten dat ik hen bij dat kind, dat cadeau van God zou brengen. Het aardige was dat ze nu zelf ook met cadeaus kwamen. Cadeaus voor het cadeau van God. Gek eigenlijk, maar ook mooi. Goud brachten ze en wierook en mirre. Wat mirre is, weet ik niet, maar dat geeft niet, want met Kerst hoef je ook niet alles te weten en te begrijpen. Net als de vogels in de bomen. Die begrepen ook niet alles. Want wat is een cadeau van God? Wat is een kind van vrede? Nee, daar begrepen ze niets van. Maar ze zongen er wel over. Hun mooiste lied. Omdat het kerst was. Ze zongen iets over ‘Stille nacht, heilige nacht, Davids Zoon, lang verwacht.’ Dit kind, zo lang verwacht. Dit vredekind. We blijven het kind zoeken. En soms, ineens, zomaar, vinden we dit cadeau van God.