Hoor de merel*

Er was eens een merel die jarenlang gewoon merel was geweest. Hij had wormen gezocht, nesten gebouwd, wat in de wereld rondgezweefd, niks bijzonders eigenlijk. Maar op een ochtend was hij met een ander gevoel wakker geworden dan gewoonlijk. Ineens wist hij: ‘Ik ben geroepen tot hogere dingen.’ De merel vloog een paar takken hogerop maar merkte al gauw dat dat het niet was. Het waren nog hogere dingen waarnaar hij verlangde. En al wist hij nog niet wat dat waren, hij ging op weg om die hogere dingen te zoeken.

Onderweg trof de merel andere dieren. Hij vertelde hun over zijn verlangen. Hij deed dat zo aanstekelijk dat veel dieren zich bij hem voegden. De olifant ging met hem mee, de mier, de fazant, de uil, het werd een hele stoet. Al voortgaande vroeg de worm, die weinig verstand had van hogere dingen, aan de merel wat het hogere waarnaar hij verlangde eigenlijk was. De merel bekende dat zelf ook nog niet te weten. Misschien werd het tijd om daar eens over na te denken. Als ze bij een open plek in het bos zouden aankomen, moesten ze het daar maar eens over hebben.

De olifant wilde daar niet op wachten. Met zijn slurf trok hij een paar bomen uit de grond, legde ze plat neer als banken en sprak: ‘Ga zitten. Wat ik hier deed, dat is het hogere. Het is hard werken, daar wordt de wereld beter van.’ Het paard hinnikte instemmend: ‘Werken, werken als een paard, dat is je ware.’ De mieren zeiden dat ze het ook mooi vonden maar de andere dieren lachten hen uit. Wat konden deze dwergen nu voor werk van betekenis verrichten? De mieren waren hierover zo kwaad dat ze met ongekende ijver aan de slag gingen. Ze zouden wel eens laten zien waartoe ze in staat waren.

Toen trok de schrille stem van de pauw de aandacht. ‘Het hogere is naar mijn mening dat wij de wereld mooier moeten maken.’ Meteen zette hij zijn veren op en draaide statig in het rond zoals alleen een pauw dat kan. De haan probeerde het ook. Hij had mooie veren, dat wel, maar lang niet zulke mooie als de pauw, die hem dan ook hooghartig uitlachte. De kam van de haan werd rood van schaamte en is dat tot op de dag van vandaag gebleven.

De wijze uil schraapte zijn keel en sprak nadenkend: ‘Het hogere dat wij verlangen, is wijsheid. Wij moeten streven naar wijsheid.’ Vooral de koeien zagen hier wel wat in. Vandaar dat je ze vaak in de verte ziet staren. Dan denken ze erover na hoe ze even wijs als de uil kunnen worden. Dat lukt niet zo erg. Zelfs het nadoen van zijn stem lukt niet. Het ‘oehoe’ spreken ze nog altijd uit als ‘boeboe’.

Ondertussen begonnen ook de andere dieren te roepen, te piepen, te blaffen en te blaten wat het hogere was. Behalve de mieren, die hoorde je niet omdat ze geen stem hebben. Maar in hun ijver knaagden ze een boom om die met een grote klap tussen de dieren neer plofte. De dieren schrokken zo dat ze alle kanten opstoven en wegvluchtten.

Triest vloog de merel terug naar huis. Een engel kwam naast hem vliegen. De merel keek hem aan en zei: ‘Het is me niet gelukt.’ ‘Ach,’ zei de engel, ‘het komt vaker voor dat hogere dingen niet lukken.’ Ze bereikten het nest van de merel en gingen samen op de rand zitten. ‘Het was waardeloos,’ bromde de merel verdrietig. De engel zei: ‘Nee, waardeloos was het niet. Je verlangde tenminste iets. Dat is al heel wat. Omdat je naar het hogere durfde verlangen, zal ik je iets geven. Ik geef jou het liedje van verlangen.’ De engel gaf een vriendelijk tikje tegen de snavel van de merel en vloog weg.

Sinds die dag kun je de merel horen, ’s morgens en ’s avonds, vooral in het voorjaar. Dan zie de mensen even stilhouden en luisteren naar het lied van verlangen.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 51-52)