Donder en bliksem*

Willem hoorde meeuwen krijsen. Hij deed zijn ogen open. Om hem heen waren zand, de zee, palmbomen, de zon. Herinneringen kwamen boven: hoe zijn schip in nood was geweest, de golven die over het schip heensloegen, hoe hij in het water was beland en uiteindelijk alles zwart was geworden. Nu lag Willem hier, aangespoeld op een strand. Hij stond op, liep het strand over, een heuvel op. Toen drong het tot Willem door: hij was terechtgekomen op een eiland, een onbewoond eiland. De schrik sloeg om zijn hart. Zou hij ooit nog thuiskomen?

 ‘Da’s gezellig. Eindelijk iemand om mee te praten.’ Willem keek om en ontdekte een vriendelijke papegaai op een boomtak. Ze maakten kennis en Willem vertelde dat hij naar huis wilde. ‘Da’s niet eenvoudig want er zijn hier geen bus, geen boot, geen brievenbus en er zijn hier de laatste tweehonderd jaar geen mensen meer geweest,’ vertelde de papegaai. Willem keek droevig. Hij voelde zich eenzaam. Het zag er somber uit.

De volgende dag kreeg Willem een idee. ‘Papegaai, jij kunt vliegen én praten. Zou jij geen hulp kunnen halen voor mij?’ De papegaai had wel begrepen dat Willem graag naar huis wilde. Hij krabde eens op zijn kop, streek over zijn hart en zei: ‘Vooruit, ik zal hulp gaan zoeken.’ Meteen vloog hij weg.

Toen begon voor Willem het lange wachten. Het was niet gemakkelijk. De zon stak overdag gemeen. ’s Nachts was het koud. Vandaar dat Willem een hut bouwde om zich tegen de hitte en de kou te beschermen. Hij voelde zich dankzij zijn hut een stuk beter. Daar voelde hij zich een beetje thuis. Eigenlijk was de hut het enige dat hij bezat. Willem wachtte: dagen, weken, maanden. De papegaai keerde niet terug. ‘Hij heeft me in de steek gelaten,’ mompelde Willem triest. Soms zag hij een rookpluim van een schip aan de horizon. Even hoopte hij dat ze hem kwamen halen. Maar altijd verdween de rookpluim weer in de verte. En Willem wachtte.

Op een avond hoorde hij gefladder. De papegaai keerde terug. Hij was mager en hijgde. ‘Ik ben op honderd schepen geweest en heb er om hulp gevraagd, maar ze wilden niet naar me luisteren. Ik ben in honderd havens geweest, maar niemand geloofde me. Toen ben ik maar naar de hemel gegaan. Die zou donder en bliksem sturen.’ ‘Donder en bliksem?’ vroeg Willem verbaasd en boos. Wat heeft dat te betekenen? Hij had dit nog niet gezegd of donkere wolken pakten zich samen boven het eiland. De eerste bliksemflits scheurde langs de hemel. De tweede bliksemflits raakte een palmboom. De derde sloeg in in Willems hut. Het enige dat hij bezat, stond plotseling in lichterlaaie! Willem stamelde: ‘Waarom doet de hemel mij dit aan?’

De nacht viel in en de hut brandde als een fakkel. Willem zat er met grote, niet begrijpende ogen naar te kijken. Waarom hielp de hemel hem niet maar zond donder en bliksem? Nu had hij niets meer. Zo zat hij tot diep in de nacht. Na uren viel Willem eindelijk in slaap. Hij hoopte nooit meer wakker te worden.

‘Toeeeet …’ Het geluid van een scheepshoorn wekte Willem. Hij wreef zijn ogen uit: een schip! In de vroege ochtendschemer zag Willem dat van het schip een roeiboot werd neergelaten. Hij kwam naar het eiland gevaren. De kapitein sprong op het strand en liep op Willem af. ‘We zagen uw vuursignaal. Heel verstandig van u om zo’n groot vuur aan te leggen.’ ‘De donder en de bliksem uit de hemel …,’ wist Willem alleen maar uit te brengen. Van vreugde wist hij niet wat hij nog meer zeggen moest. Hij was gered! Hij stapte in de roeiboot en voer weg. Hij keek nog een keer achterom en gaf een knipoog aan de papegaai. ‘Bedankt voor je hulp!’ riep hij. Daarna keek Willem omhoog, gaf ook een knipoog aan de hemel en lachte. De zon lachte terug.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 81-82)