De haven

Er was eens een vader met drie zoons. Nu hield die vader nogal van de zee en gaf zijn oudste zoon daarom een schip. Het was een heel groot schip. De zoon bedankte zijn vader en stak van wal om jarenlang weg te blijven. De vader gaf zijn tweede zoon ook een schip, niet zo heel groot, maar wel een beetje groot. Ook deze zoon bedankte zijn vader en stak van wal om jarenlang weg te blijven. De vader gaf ook zijn jongste zoon een schip. Het was maar een klein scheepje. Ook de jongste zoon bedankte zijn vader, maar hij stak niet van wal. Hij bleef waar hij was.

De vader vroeg waarom hij niet ging varen. ‘Omdat ik met dat kleine bootje bang ben voor hoge golven,’ zei zijn zoon. ‘En omdat ik bang ben voor de nacht, en voor haaien en voor zeemonsters. En van kwallen houd ik ook niet.’ De vader dacht eens na en zei: ‘Ik zal je nog iets geven: een haven. Als er hoge golven zijn, kun je daar met je boot schuilen. En ook ’s nachts. En op dagen dat er veel haaien en zeemonsters en kwallen zijn, dan kun je ook schuilen in die haven. De jongste zoon was erg opgelucht. De volgende ochtend stak hij van wal en legde ‘s avonds zijn boot in de haven. Dat deed hij elke ochtend en elke avond. Behalve natuurlijk als er hoge golven, veel haaien en zeemonsters en kwallen waren, dan bleef hij lekker thuis.

Na vele jaren kwamen zijn oudere broers terug van zee. Ze herkenden elkaar nauwelijks, want ze waren alle drie oud geworden. Maar ze waren nog altijd broers en hielden van elkaar. De oudste broer vroeg waar hij zijn oude boot veilig kon neerleggen. ‘Bij mij in de haven,’ zei de jongste broer. En ook de tweede broer mocht er zijn boot neerleggen. Ze gingen met z’n drieën in een huisje aan de haven wonen. En daar gingen ze gezellig oud zitten wezen.

Op een dag zeiden ze tegen elkaar: eigenlijk zouden we nog een haven moeten hebben. Eentje waar we niet alleen veilig zijn voor hoge golven en haaien en zeemonsters en kwallen, maar waar we ook veilig zijn tegen de stormen van het leven en ziektes en andere nare dingen. Maar het moest ook niet te saai zijn in die andere haven en daarom moesten er daar veel verhalen worden verteld. En, bedachten ze, we zouden er ook moeten praten over onze vader die nu in de hemel is. Dat vonden ze een goed idee. Toen hebben ze dit huis gebouwd, deze kerk. Waar je veilig bent tegen de stormen van het leven, waar mooie verhalen worden verteld en waar we praten met onze Vader in de hemel. 

Had je niet gedacht zeker, dat dit huis eigenlijk een haven is?