Jezus en de wilde dieren

Een verhaal bij Marcus 1,12-13. Daarin wordt verteld dat Jezus veertig dagen in de woestijn verbleef te midden van de wilde dieren. Engelen zorgden voor Hem.


Jezus praatte graag met zijn Vader in de hemel. Die hemel leek in de eenzaamheid van de woestijn net wat dichterbij te zijn. Vandaar dat Jezus daarheen ging. Hij ging helemaal alleen. Bang was hij niet in de woestijn, ook al waren daar de wilde dieren.

Jezus was nog maar net in de woestijn of er kwam een leeuw op Hem af. Hij brulde. Jezus luisterde eens goed en hoorde dat de leeuw niet brulde van woede, maar van pijn. Hij keek eens goed en zag dat de leeuw mank liep. In zijn poot zat een grote splinter. Jezus wenkte de leeuw, die rustig naast Hem kwam liggen. Voorzichtig haalde Jezus de splinter uit diens poot. De leeuw boog voor Jezus en gromde van dankbaarheid.

Jezus aaide de leeuw en deze bleef nog even gezellig bij Jezus zitten. Kronkelend kwam daar een slang aan. Een gevaarlijke slang, een cobra. Toch was er iets vreemds met de slang aan de hand: normaal gleed hij heel stilletjes maar nu kronkelde hij heel wild. De slang ging naar Jezus en sliste: 'Ik zzzit in de knoop met mezzzelf en dazzz erg lazzztig.' Nu weet iedereen die weleens in de knoop met zichzelf gezeten heeft, hoe lastig dat is. Jezus bukte zich en haalde de cobra voorzichtig uit de knoop. Het beest ging op zijn staart rechtop staan en boog diep voor Jezus.

Terwijl de leeuw en de slang nog even bij Jezus zaten, zagen ze een woestijnhaas naderbij komen. Nu zijn woestijnhazen meestal bang als een haas, maar toch kwam het dier dichterbij. Ze had iets in haar bek: een hazenjong. De moederhaas legde het diertje aan de voeten van Jezus neer. Het hazenjong was blind. De moederhaas keek Jezus smekend aan en haar ogen zeiden: 'Als er iemand is die mijn kind weer ziende maken kan, bent U het wel.' Jezus raapte het hazenjong voorzichtig op. Hij gaf voorzichtig een kus op de oogjes van het haasje. Dat knipperde met zijn oogjes en het zag ineens zijn moeder, Jezus, de lucht, de zon. En hij zag ook de leeuw en de slang. Omdat hij die nog nooit had gezien, was hij niet bang. De moederhaas boog eerbiedig voor Jezus en liet zo merken hoe dankbaar ze was.

De leeuw, de slang, de moederhaas en haar jong bleven nog even bij Jezus. Plotseling klonk er een enorm gedreun, gebrul en gesis. Ja hoor, daar was de draak. Iedereen weet dat de draak meent dat de woestijn aan hem toebehoort en daarom wilde hij Jezus en meteen ook maar de andere dieren een lesje leren. Nu is een haas niet sterk, een leeuw en een slang wel, maar lang niet sterk genoeg om een draak te verslaan. De draak naderde en de hitte van het vuur uit zijn neus werd steeds heviger. Het schroeide al het kleed van Jezus. Maar ineens... waren er engelen. Niet eentje of een paar, maar een heel leger. En zij vormden een muur rond Jezus en zijn vrienden. De draak wist maar een ding te doen: flauwvallen van schrik.

Daardoor hoorde de draak niet het lied dat de engelen zongen. Wat ze zongen? Nee, niet zoals met Kerst het 'Ere zij God'. Zij zongen een ander liedje, dat jij misschien ook wel kent:

Je hoeft niet bang zijn,

ook niet bij angst of pijn,

de Heer zal als een muur

rondom ons leven zijn.