Een hemelse kus

'De hemelse kus' past bij het verhaal van de verloren zoon (Lucas 15,11-32). 'Geldwolf' Hans verliest zijn menselijkheid. Door de liefde van zijn vader wordt hij genezen.

 

Hans vond het huisje waarin zijn vader en hij woonden veel te klein. Hij droomde van een landhuis of een kasteel. Om rijk te worden wilde hij de wijde wereld. Zijn liefhebbende vader vond dat vreselijk. Maar hij liet hem gaan en gaf hem wat geld mee.       

Hans kocht van dat geld een boerderijtje. Hij droomde ervan dat het eens van goud zou zijn. Vandaar dat hij de mensen die bij hem melk kwamen kopen, stiekem te weinig gaf. Eerst had niemand er erg in. Maar toen Hans gouden dakpannen op zijn boerderij legde, vroegen zij zich af hoe hij dit kon betalen. Niet lang erna kwam alles uit. Heel lang geleden konden de mensen nog toveren. Voor straf betoverden zij Hans. Vanaf die dag had hij een wolvenstaart.    

‘Ach, er zijn ergere dingen,’ meende Hans. Hij stopte zijn staart onder zijn kleren en ging voort met bedriegen. Hij verkocht iemand een ziek paard voor veel geld. Toen de man de volgende dag kwam klagen, gaf Hans hem het geld niet terug. Hij had er al gouden deuren voor gekocht. De woedende koopman toverde voor straf wolvenoren op het hoofd van Hans.   

‘Ach, er zijn ergere dingen,’ zei Hans. Hij zette een hoed op en ging door met zijn bedrog. Hij verkocht iemand een onvruchtbaar stuk land. Daarvan kocht hij gouden ramen voor zijn boerderij. De boze, bedrogen man veranderde Hans' gezicht in een wolvensnoet.     

‘Ach, er zijn ergere dingen,’ wilde Hans zeggen. Maar toen hij in de spiegel zag dat hij zijn gezicht had verloren, bleven de woorden in zijn keel steken. Die wolvenstaart en die wolvenoren kon hij wel verbergen, maar zijn wolvensnoet niet.    

Verderop woonde een heks. Hans klopte bij haar aan. De heks riep: ‘Als je me je gouden dakpannen geeft, zal ik mijn deur opendoen.’ Hans hield erg van zijn dakpannetjes, maar nog meer aan zijn gezicht. Na de pannetjes te hebben gehaald, opende de heks de deur. ‘Alleen als je me je gouden deuren geeft, mag je je mond opendoen.’ Hans haalde zijn gouden deuren op. Daarna mocht hij zijn verzoek doen. Hij vroeg de heks of ze hem zijn gezicht terug wilde geven. ‘Natuurlijk, wolfje, alleen als je me je gouden ramen geeft,’ lachte de heks vals. Hans haalde zijn gouden ramen. De heks sprong met al het goud op haar bezemsteel en vloog weg om nooit meer terug te komen. Hoe ze al die gouden dakpannen, deuren en ramen meenam? Dat weet ik niet. Ik weet niks van heksentoeren, ik ben geen heks.           

Hans durfde niet meer terug naar zijn boerderij uit schaamte om zijn wolvensnoet. Hij ging naar het bos en zwierf daar eenzaam rond. ’s Nachts kregen de mensen kippenvel wanneer ze zijn gehuil hoorden; het leek wel het gehuil van een echte wolf.     

Op een nacht hoorde ook Hans' vader het gehuil. Hij had medelijden met de huilende stakker. Hij stapte zijn bed uit en ging naar buiten. Daar zat Hans snikkend op een bankje voor het huis. Ook al had Hans een wolvensnoet, zijn vader herkende hem meteen. Hans vertelde hoe hij geprobeerd had rijk te worden, maar dat hij daardoor veranderd was in een wolf. ‘Ach,’ zei vader, ‘je bent niet echt veranderd. Je hebt altijd het hart van een wolf gehad.’ Hans keek zijn vader vragend aan. ‘Van een geldwolf,’ verduidelijkte vader. ‘Is er wat aan te doen?’ vroeg Hans. Vader antwoordde niet. Hij liep op Hans toe en gaf hem een zoen op zijn natte wolvenneus. Nu stelt een kus niet veel voor. Maar een kus van een liefdevolle vader is een hemelse kus. Zo een kan wonderen doen. Hans kreeg zijn gezicht weer terug.

Hans droomt niet meer van gouden dakpannen, deuren en ramen. Hans bedriegt ook geen mensen meer. Hij behandelt hen nu niet meer met het hart van een geldwolf maar met een hart van goud. Wat een hemelse kus al niet kan doen!