Een hart van steen*

Het volk van Orlandië leefde gerust en tevreden. Dat was al eeuwen zo. Hun tevredenheid had niet weinig te maken met de rechtvaardigheid van de koningen van Orlandië. De koningen waren gewoon hun land op milde wijze te regeren. Dat kwam doordat zij wisten wat het was om honger en gebrek te lijden. Dat hadden zij te danken aan een oude gewoonte. Voordat een koning de troon mocht bestijgen, moest hij een proef afleggen. Veertig dagen moest hij eenzaam in de woestijn doorbrengen zonder iets te mogen eten. Daar in de woestijn leerde hij wat honger en gebrek betekenen. Zo begreep hij wat de armen moeten doormaken en leerde hij dat hij hen mild diende te behandelen.

Prins Mala zou spoedig zijn vader opvolgen. Ook hij trok de woestijn in om te ondergaan wat honger en gebrek betekenen. De veertig lange dagen zonder voedsel waren voor hem begonnen. De eerste dagen kon prins Mala het gemakkelijk volhouden. Maar elke dag begon de honger meer te knagen. Terwijl de tijd verstreek, groeide Mala’s honger en zijn verlangen deze te stillen. Zulke momenten kiezen de boze geesten uit om een mens te bezoeken. Ook Mala.

Een boze geest kleedde zich als tovenaar en ging in het zwart gehuld naar de hongerige koningszoon toe. Hij groette Mala vriendelijk en vroeg hoe het hem verging. Mala vertelde hem over zijn honger. De tovenaar glimlachte en bood hem een stokje aan. Het was een toverstaf. De staf zou Mala in staat zou stellen de stenen in de woestijn te veranderen in broden. Mala dacht na. Hij wist waarom hij in de woestijn was en dat hij leren moest wat honger was. Mala sloeg het aanbod van de tovenaar af.

Zijn honger groeide. Na verloop van een aantal dagen kwam de in het zwart geklede boze geest weer naar hem toe. Ook dit keer bood hij hem de toverstaf aan. Mala aarzelde. Maar evenals de voorgaande keer kon hij de verleiding weerstaan en weigerde.

Toen de tovenaar hem voor de derde keer bezocht, kon de uitgehongerde Mala de verleiding niet meer weerstaan. Hij strekte zijn hand uit naar de toverstaf. De tovenaar hield deze echter terug en sprak: ‘Je mag deze toverstaf hebben om van stenen brood te kunnen maken. Maar hij kost je wel iets: één lichaamsdeel van jou zal moeten veranderen in steen.’ De hongerige Mala dacht na. Welk lichaamsdeel zou hij kiezen? Als een been of een arm zou verstenen, zou zijn vader ontdekken dat er iets was gebeurd in de woestijn. Het zou dan niet verborgen blijven dat hij zijn honger gestild had en hij zou geen koning kunnen worden. Daarom koos Mala een onzichtbaar lichaamsdeel. Hij bood de tovenaar zijn hart aan. En zo gebeurde het dat Mala de toverstaf kreeg en zijn honger kon stillen. De veertig dagen in de woestijn waren nu gemakkelijk voor hem te verdragen. Maar zijn hart was versteend.

Niet lang na zijn terugkeer uit de woestijn besteeg prins Mala de troon. Hij regeerde het land. Het volk van Orlandië merkte al snel dat koning Mala anders was dan zijn voorgangers. Hard en meedogenloos oefende hij de macht uit, zonder mildheid en liefde voor zijn onderdanen. Hij regeerde met een hart van steen.

Na enkele jaren brak er een opstand uit. Mala werd van de troon gestoten door het ontevreden volk van Orlandië en voorgoed verbannen naar de woestijn. Hij woont daar nog steeds. Dankzij zijn toverstaf blijft hij er in leven. Maar gelukkig is hij niet. Wie kan gelukkig zijn met een hart van steen?


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 50-52)