De broodboom*

Een vreemde boom, een heel vreemde boom moet het zijn, volgens de mensen die het schijnen te weten. Hij staat in de tuin van een vervallen huis. Dat huis staat midden in het bos. Het wordt niet meer bewoond. De struiken groeien door de ramen en het mos ligt op de dakpannen. Ergens achter dat huis staat die boom. Het moet een wonderlijke boom zijn. Het is dan ook een wonderlijk verhaal dat de mensen erover vertellen.

De man die in het vervallen huis gewoond heeft, leeft niet meer. Hij moet grijs en krom zijn geweest. De oude man woonde alleen in het huis. Hij hield veel van de dieren in het bos. Bij hen voelde hij zich meer thuis dan in de mensenwereld waar hij uit weggetrokken was. De dieren van het bos schijnen heel vertrouwd te zijn geweest met de oude man, vooral de vogels. Die zochten hem elke dag op. Ze kwamen op zijn hand zitten of op zijn schouder en soms streek een brutale jonge mus neer op zijn grijze haren. Zij voelden zich thuis bij de oude man in zijn kleine huis tussen de bomen.

Rijk was hij niet. Als het om geld gaat tenminste. Soms verscheen hij in het dorp en deed een paar boodschappen: wat zeep, een bosje touw, een beetje meel. Daarna zag je hem een tijd lang niet meer. Ze zeggen dat de oude man in zijn tuin zijn eigen groenten verbouwde. In een kleine oven naast zijn huis bakte hij zelf brood.

Het moet jaren geleden gebeurd zijn in een heel strenge winter. De dieren kregen steeds meer moeite om voedsel te vinden. De vogels werden magerder. Hun verenpak werd grauw van de honger. Vooral voor de heel jonge vogels en de oudste was het een barre tijd. De oude man probeerde zijn vrienden te helpen. Elke dag bakte hij brood en gaf het meeste ervan aan de vogels, die ’s morgens vroeg al zaten te wachten om een kruimeltje te mogen meepikken. Ze zeggen dat de man zelf steeds minder at om zo nog meer aan de vogels te kunnen geven. Hij kon het zeker niet aanzien, die vragende, hongerige kraalogen.

Op een ochtend hebben ze de man gevonden. Dood. Broodmager was hij. Hij had de vogels gevoed, maar zelf had hij te weinig gegeten. Alles wat hij bezat, had hij overgehad voor zijn vrienden. Toen het bericht van zijn dood zich verspreidde door het bos zijn de vogels gekomen, allemaal. En hoe ze het gedaan hebben, weet ik niet. Maar er zijn mensen die beweren dat de vogels zelf de oude man begraven hebben in de tuin achter zijn huis.

Kort daarna is op de plek van zijn graf die vreemde boom opgekomen. Het is een wonderlijke boom: een broodboom. Elke ochtend dragen zijn takken nieuwe broden. En de vogels komen van heinde en verre om ervan te eten. Hoe streng een winter ook is, de broodboom schenkt hun altijd voedsel.

Een wonderlijk verhaal, van die man en die boom…


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 56-58)