Van wie ben je er eentje?

Betsie was de dochter van Frans en Monica Laterveer. Daarom zeiden de mensen in het dorp: ‘Ze is er een van Laterveer.’ Als er een vreemdeling in het dorp kwam, vroegen de mensen vaak: ‘Van wie ben je d’r eentje?’ Dan zeiden ze: ‘Van Hogerveer of van Nederveer of van Vogelveer.’ En dan wisten de dorpelingen meestal wel bij welke familie iemand thuishoorde.     

Op een dag kwam er een meisje langs. Loes heette ze. De mensen in het dorp vroegen: ‘Van wie ben je d’r eentje?’ Ze antwoordde: ‘Ik ben Loes van het licht.’ De dorpelingen krabden zich achter de oren: ‘Van het Licht? Die familie kennen we hier niet.’ Loes legde uit: ‘Het licht van de sterren.’ De mensen schudden het hoofd: ‘We kennen geen familie Van de Sterren.’ ‘Ik bedoel het licht van de zon,’ probeerde Loes uit te leggen. ‘De mensen keken haar vreemd aan: ‘We kennen geen familie Van Zon.’ Loes probeerde het nog een keer: ‘Ik ben d’r een van het licht, van de hemel.’ De dorpelingen werden boos: ‘We kennen geen familie Van het Licht. En in de hemel woont geen familie, daar woont alleen God. We vinden je erg brutaal.’ De politieman van het dorp nam Loes mee en stopte haar in de cel op het politiebureau.            

Gelukkig was het een aardige politieman en hij bracht Loes een glaasje ranja. Toen hij haar ogen zag, begon hij te glimlachen. Hij voelde zich vrolijker worden en toen hij ’s avonds thuiskwam, zei zijn vrouw: ‘Wat kijk je vrolijk, je ogen lijken wel sterren.’ Hetzelfde overkwam de schoonmaakster van het politiebureau. Toen ze Loes aankeek, begon ze ook te lachen. Thuis zei haar man: ‘Wat kijk je vrolijk, het lijkt wel of de zon in je ogen schijnt.’ De burgemeester kwam ook even naar het politiebureau om te kijken of alles in orde was. Toen hij Loes zag werd zijn deftige gezicht ineens een beetje schooljongensachtig. Thuis zei zijn vrouw: ‘Wat een aardige glimlach heb je op je gezicht, het lijkt wel een hemelse glimlach.’       

Na een dag vond de schoonmaakster dat Loes lang genoeg in de gevangenis had gezeten. De burgemeester en de politieman, die anders heel streng waren, vonden dan ook. Loes werd vrijgelaten en liep meteen naar de markt om zakje koekjes te kopen. Daar was ze namelijk dol op. Ze at de helft van de koekjes op en de andere helft deelde ze uit aan de mensen op de markt. Iedereen begon vrolijker te kijken, niet alleen door de koekjes, maar vooral door de ogen van Loes. Ze leken zo licht. De mensen voelden zich daardoor lichter en het was net alsof hun gezichten zonniger werden. Dat overkwam ook Betsie Laterveer. Toen iemand haar vroeg: ‘Van wie ben je d’r eentje?’, antwoordde ze ineens: ‘Ik ben Betsie van het Licht, want zo voel ik me.’ En Henk Hogerveer, Nico Nederveer en Victoria Vogelveer antwoorden hetzelfde: ‘Wij zijn van het licht.’        

Heel gek, lang nadat Loes van het Licht was vertrokken, zeiden de dorpelingen nog altijd dat ze van het licht waren. Soms kom je van die mensen tegen die, net als Loes, ons leren dat we eigenlijk allemaal van het licht zijn.