Snoes de haan

Het verhaal van de verloren zoon in Luc. 15,11-32 is velen bekend. De overmoed van de zoon richt hem bijna te gronde. Maar thuis wacht zijn vader; een prachtig beeld voor de genadige liefde van God. De overmoed van de zoon krijgt gestalte in 'Snoes de haan'.

 

Er was eens een jonge haan. Snoes heette hij. En Snoes wist zeker dat hij geroepen was tot grootse dingen. ‘Vader,’ zei hij op een goede dag, ‘geef mij mijn erfdeel. Ik wil de wijde wereld in. Ik zal ervoor zorgen dat de hele wereld aan mijn voeten ligt. Ik wil victorie kraaien.’ ‘Wist jij,’ waarschuwde zijn vader, ‘dat het met een haantje de voorste als jij slecht kan aflopen?’ Maar hoe zijn vader ook sprak, Snoes wilde zijn erfdeel en de wijde wereld in.           

Zo ging Snoes op weg met onder zijn veren het erfdeel van zijn vader, een zak vol goud. De eersten die hij tegenkwam, waren de meeuwen die zo koninklijk kunnen zweven op de wind. ‘Mag ik bij jullie horen?’ vroeg Snoes. ‘Welja,’ zeiden de meeuwen, ‘we wilden net lekker gaan krijsen. Kan jij dat?’ Snoes knikte en begon mee te doen. Maar de meeuwen lachten hem uit: ‘Dat is geen gekrijs, maar gekukel. Wat kan jij wel goed? Kan jij geld over de hanenbalk gooien?’ Snoes verklaarde plechtig daar een meester in te zijn. Hij haalde zijn zak vol goud tevoorschijn en gooide die zo ver mogelijk omhoog. Voordat de zak goud weer op de grond kon ploffen, hadden de meeuwen hem gevangen. ‘Hé,’ zei Snoes, ‘geef me mijn goud terug!’ ‘Nooit,’ zeiden de meeuwen. ‘En dan nog wat, kan jij hoepelen?’ Snoes antwoordde: ‘Alles valt te leren.’ ‘Mooi,’ zeiden de meeuwen, ‘hoepel dan maar gauw op.’

Snoes droop af. Hij was zo teleurgesteld dat hij er niet op lette waar hij liep. Plons! Snoes lag in een vijver. Daar zag hij een zwaan. Snoes vond hem meteen een heel koninklijke vogel. De zwaan zou hem zeker willen leren hoe hij de wereld aan zijn voeten kon krijgen. ‘Dag zwaan, ik ben Snoes de haan,’ stelde hij zich voor. ‘Omdat zwaan rijmt op haan heb ik zojuist besloten zwaan te worden, net als u.’ De zwaan keek bedenkelijk: ‘Heb jij een zwanenhals?’ ‘Nee,’ zei Snoes, ‘maar met een beetje gymnastiek zal dat wel lukken.’ ‘Ken jij de zwanenzang?’ vervolgde de zwaan. ‘Ook die kan ik leren,’ wilde Snoes zeggen. Maar hij kon de zin niet afmaken, want zijn veren waren door al het water zo zwaar geworden dat hij kopje onder ging. De zwaan kon hem nog net opvissen en zette hem op het droge.  

Snoes durfde de zwaan van schaamte niet aan te kijken en staarde maar een beetje in de lucht. Toen zag hij het: de haan op de toren van de kerk! De wereld lag aan diens voeten! Snoes wist nu wat hij wilde: hij wilde ook haan op een kerktoren worden. Hij nam een aanloop om omhoog te fladderen, maar viel in de struiken rond de kerk. Gelukkig stond de kerkdeur open. Snoes dribbelde de lange torentrap op en kwam bij de haan boven op het dak. ‘Dag haan,’ hijgde Snoes. Maar de haan zei niets terug. Hij was doof geworden van al het klokgelui vlak bij zijn kop. De kerkhaan keek droevig. Snoes begreep dat niet. De wereld lag toch aan zijn voeten! Maar toen de nacht kwam, begreep Snoes het wel. Wat was het koud daarboven! Vooral toen het begon te regenen. Snoes verstijfde van kou en viel flauw. Boem! Daar lag hij onder de toren met geknakte staartveren in een heel erg natte plas water.   

Moeizaam liep Snoes terug naar het hok van zijn vader. Onderweg bedacht hij wat hij zou zeggen: ‘Vader, mag ik terugkomen? Desnoods als haantje de achterste?’ Maar toen hij thuiskwam, stond zijn vader hem lachend en met open vleugels op te wachten. Vader de haan drukte Snoes tegen zijn borst. ‘Dat was een leerzaam uitje, hè?’ zei zijn vader. Snoes knikte. Wat was hij blij weer thuis te zijn! Hij wilde dit avontuur zo gauw mogelijk vergeten.

Maar wij vergaten Snoes de haan niet. Nu begrijp je ook waardoor de mensen tegen iemand die een beetje vreemd doet, zeggen: ‘Jij bent een rare snoeshaan!’