Raar maar waar

Zijn opa was het geweest. Zijn tante was het geweest. Zijn vader was het geweest. Zijn zus was het. En nu was Albert het zelf ook: schoenmaker. Een mooier vak was er niet. Dat vonden tenminste zijn opa, zijn tante, zijn vader en zijn zus. Maar ’t kon nog mooier, vond Albert. Daarom wilde hij geen gewone schoenen maken met alleen maar neuzen, hakken en veters, hij wilde meer. Wat was dat meer dan? Dan wist hij niet. Na een nachtje slapen wist hij het nog niet. Na twee nachtjes slapen ook niet. Na de derde nacht ... hij voelde dat hij het bijna had. En na de vierde nacht had hij het: Albert wilde schoenen maken die licht gaven als je erop liep. Links groen en rechts rood. De mensen zeiden: ‘Wij vinden die schoenen raar.’ Albert lachte dan en zei: ‘Raar maar waar.’

De volgende nacht droomde Albert van schoenen waarmee je tegen de muur op kon lopen en zelfs ondersteboven langs het plafond. ’s Morgens vroeg ging hij naar de werkplaats met al zijn werkspulletjes en begon die schoenen te maken. Hij probeerde ze eerst zelf uit. Hij liep tegen de muur op en viel naar beneden. Gelukkig ving opa hem op. Hij probeerde het weer; nu ving zijn tante hem op. De derde keer ving zijn vader hem op. De vierde keer zijn zus. De vijfde keer ving niemand Albert op, want het lukte. Hij liep langs de muur en langs het plafond. De mensen keken omhoog en zeiden: ‘Wij vinden die schoenen raar.’ Albert lachte dan en zei: ‘Raar maar waar.’ 

Op zaterdag had Albert altijd ruzie met zijn zus. Het was juist zaterdag en dus maakten ze ruzie. ‘Loop naar de maan,’ zei zijn zus. Albert gaf haar een zoen en zei: ‘Dat is een goed idee.’ Hij ging naar zijn werkplaats met al zijn werkspulletjes en maakte schoenen waarmee hij naar de maan liep. En ook nog terug. De mensen stonden hem op te wachten en zeiden: ‘Wij vinden die schoenen raar.’ Albert lachte dan en zei: ‘Raar maar waar.’

Elke nacht droomde Albert van wonderlijke schoenen en vaak maakte hij ze ook: schoenen waarmee je kon eten - ‘schoenlepels’, schoenen voor je handen - ‘handschoenen’ - en schoenen voor de auto - ‘remschoenen’. Hij maakte zelfs voetbalschoenen waarmee je elke voetbalwedstrijd won en schoenen waarmee je geen mieren doodtrapte. De mensen verbaasden zich over deze bijzondere schoenmaker. Ze zeiden: ‘Albert, je maakt steeds schoenen met iets wonderlijks. Wat is nu het meest wonderlijke, het allerwonderlijkste aan jouw schoenen?’ Albert dacht eens even na en keek lang naar zijn eigen schoenen. ‘Weet je wat het meest wonderlijke aan mijn schoenen is. Dat is misschien wel dit: dat er voeten en tenen in mijn schoenen zitten, dat is pas echt wonderlijk.’ Sommigen vonden dat antwoord raar. Maar Albert lachte en zei: ‘Raar maar waar.