Een frisse wind*

Het kwam niet doordat er teveel mensen in de kamer zaten of doordat de kamer te klein was. Het was door wat de mensen zeiden, daardoor rook het er zo muf.

Waar die mensen over spraken? Zij praatten over God. ‘God is de God van de rijke mensen’, beweerde een deftige dame. ‘Hij heeft de rijke mensen rijk gemaakt omdat het hele goede mensen zijn. De arme mensen zijn slechte mensen. Anders had God ze wel rijk gemaakt, nietwaar?’ De anderen knikten instemmend. Tegen de woorden van de deftige dame kon toch geen verstandig mens iets inbrengen?

Een jongeman nam het woord: ‘God is ook de God van de sterke en jonge mensen. God houdt niet van mensen die niks kunnen, van bejaarden of zieken. Die kosten alleen maar geld. Dat is zonde. En God houdt niet van zonde.’ De anderen knikten weer instemmend. Ook al was deze jongeman nog heel jong, hij kon erg wijze dingen zeggen, vonden ze. Tegen zijn wijze woorden kon toch geen weldenkend mens iets inbrengen?

Een geleerd heer mengde zich ook in het gesprek. Aan zijn strenge gezicht kon je zien dat hij geen tegenspraak duldde. Hij zei: ‘Ik heb er lang over nagedacht, maar nu weet ik het zeker: God is de God van blanke mensen, niet van donkere. Melk is immers licht, water is licht en Jezus was blank.’ Allen waren het roerend met hem eens. Wat had de geleerde verstandig gesproken. Daar kon toch niemand iets tegen inbrengen?

Nadat de mensen nog gezellig een tijdje bij elkaar hadden gezeten en naar hun idee veel wijze dingen hadden gezegd, kwam het moment om naar huis te gaan. Ze pakten hun jassen en gingen één voor één de deur uit. Maar er bleef iemand achter. Iemand die onopgemerkt was gebleven, niets had gezegd maar wel alles had gehoord. Dat was een engel. Hij hield allebei zijn vleugels voor zijn neus. Waarom? Omdat hij het in die kamer zo vreselijk muf vond ruiken. De flarden van het gesprek hingen overal en stonken naar opgeklopte lucht en kouwe kak.

Het gezicht van de engel was roodaangelopen, zo kwaad was hij om al die domme woorden. Hij opende de ramen van de kamer. De engel haalde diep adem, heel diep, en met een allemachtig krachtige ademstoot blies hij in één keer alle stinkende woorden uit de kamer weg. Buiten dwarrelde het stof op, bomen bogen door, bladeren werden de lucht ingeblazen. De lucht in de kamer rook daarna weer heerlijk fris dankzij de stormachtige ademstoot van de engel. De engel had zo hard geblazen dat die wind die toen begon te waaien nooit meer is uitgewaaid. Soms strijkt die wind als een frisse bries langs mensen heen. Wie die bries voelt, weet opeens zeker: God is een God voor alle mensen, niet alleen van rijke, sterke of blanke. Die bries waait nog elke dag.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 87-88)