De stem van de zee*

Ze waren er alle drie geboren, in het kleine dorp aan de zee. Toen ze klein waren, kon je de drie zusjes altijd op het strand vinden. Ze bouwden er hun zandkastelen, zochten er naar schelpen en zeesterren. Iets ouder geworden, leerden ze duiken in de golven en wandelden zij vaak langs de zee, keken naar de zeilen van de vissersboten in de verte en droomden over wat komen zou, als ze eenmaal groot zouden zijn.

Op een kwade dag verscheen er een schip aan de horizon met een zwarte vlag in top. Het waren kapers die het gemunt hadden op de rijkdommen van het dorp. De dorpelingen verdedigden zich dapper maar met hun hooivorken hadden zij geen kans tegen de zwaarden en lansen van de piraten. De piraten roofden alles. Ook alle gezonde jongens en meisjes werden door hen meegenomen om als slaven te worden verkocht in verre streken.

De volwassenen stonden met tranen in hun ogen te kijken hoe de jongens en meisjes werden weggevoerd. De vader van de drie zusjes sloop naar hen toe. Snel gaf hij elk van zijn dochters een schelp. ‘Hierin hoor je de stem van de zee’, zei hij. ‘Wie de stem van de zee kent, zal altijd de hoop bewaren.’ Toen werd hij ruw weggeduwd door een piraat.

De drie meisjes belandden na lange omzwervingen in een vreemd land ver van de zee. Daar werden zij verkocht aan een sultan. Hij was een boosaardig man die zijn slaven dikwijls sloeg, vooral als hij een boze bui had en die had hij maar al te vaak. Toen hij weer eens zo’n kwade bui had en de slaven met een zweep wilde afranselen, gingen de zusjes naar hem toe. ‘Heer’, spraken zij, ‘wij hebben een middel waardoor u zich beter zult gaan voelen.’ De sultan gromde dat als het middel niet werkte, hij hen voor altijd in de gevangenis zou gooien. Maar toen zij hem een schelp van hun vader gaven en hij de stem van de zee erin hoorde, werd hij rustiger. Op zijn gezicht verscheen een glimlach. Nooit had hij zo iets moois gehoord, zoiets ruims. Sinds die dag sloeg hij zijn slaven niet meer.

Vanaf die dag behandelde de sultan de drie zusjes erg vriendelijk. Hij zorgde ervoor dat zij nooit al te zwaar werk hoefden te doen. Maar daardoor werden een paar andere dienaren jaloers op hen. Zij besloten de meisjes een flink pak rammel te geven. Toen zij hun kans schoon zagen, slopen zij op de meisjes af en grepen hen. Bijna waren ze begonnen hen af te ranselen toen één van de meisjes riep: ‘Stop, wij hebben toverkrachten. Als jullie ons slaan, veranderen wij jullie in inktvissen.’ De dienaren bespotten de zusjes en daagden hen uit om maar eens te laten zien dat zij dat werkelijk konden. Daarop pakte één van de zusjes haar schelp en liet de dienaren ernaar luisteren. Tot hun grote schrik hoorden zij de stem van de zee. De dienaren begrepen dat wie de stem van de zee in een schelp kan opsluiten machtig genoeg is om mensen in inktvissen te kunnen veranderen. Zo beschermde de schelp de meisjes.

Iedere avond luisterden de zusjes naar hun schelp. Dan dachten zij terug aan het dorp aan de zee. Zij bleven verlangen naar het dorp waar hun oude vader wachtte. Geduldig spaarden zij elk muntstukje dat zij maar in bezit konden krijgen. Na vele, vele jaren hadden zij zoveel gespaard dat zij zichzelf konden vrijkopen en terugkeren naar hun dorp.

Hun oude vader lachte en huilde van vreugde bij het weerzien met zijn dochters. Zij vielen elkaar in de armen. Eindelijk waren ze weer bij elkaar. ‘Ik wist het wel’, sprak hij, ‘wie de stem van de zee kent, zal altijd de hoop bewaren.’

Niet lang daarna sloot hij voorgoed de ogen. Zijn drie dochters begroeven hun vader liefdevol. Op het graf legden zij de schelpen neer die hun vader hun ooit had gegeven. In de verte ruiste de stem van de zee.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 82-84)