De hand van zijn vrienden*

‘De zoeker’, noemden de mensen hem. En een zoeker was hij. Hij zocht altijd naar antwoorden op allerlei vragen. Hij rustte niet voor hij een goed antwoord gevonden had. Een vraag waar hij al heel lang over had nagedacht was: 'Waar woont God?' Jarenlang had hij naar een antwoord gezocht. Hij had naar de hemel gekeken, naar de sterren, naar de zon en zelfs achter de zon - wat niet meevalt - maar de woonplaats van God had hij nergens gevonden. Daarom besloot hij op reis te gaan en mensen te zoeken die hem zouden kunnen helpen.

Hij ging op weg. De eerste bij wie de zoeker aanklopte was een geleerde. De zoeker legde hem zijn vraag voor. 'Waar woont God?', glimlachte de geleerde zelfverzekerd, 'Hij woont in een boek. Hij woont in de Bijbel. God is te vinden door dat boek te lezen en goed na te denken. Wie veel leest en goed nadenkt, ontdekt God vanzelf. Het kan niet anders.' De zoeker was geboeid door deze geleerde woorden. Hij begon te lezen in de Bijbel. Maar eerlijk gezegd, hij vond God eigenlijk niet. Nou ja, soms een beetje, een glimp. Maar dat vond hij niet genoeg.

Vandaar dat de zoeker niet tevreden was toen hij afscheid nam van de geleerde. Waar woont God? Het goede antwoord had hij nog niet. Daarom zocht hij door. Nu ging hij naar het bos, waar op een afgelegen plaats het huis van een kluizenaar stond. De zoeker legde zijn vraag aan hem voor: ‘Waar woont God?’. 'In je hart', antwoordde de kluizenaar, 'daar is ’t ie, zeker weten.’ Ik leef hier in eenzaamheid om heel stil te kunnen zijn. In de stilte luister ik naar God in mijn hart.' De zoeker was onder de indruk van het antwoord van de kluizenaar. Hij bleef een paar dagen bij de kluizenaar en probeerde heel stil naar zijn hart te luisteren. Maar eerlijk gezegd, hij vond God eigenlijk niet. Nou ja, soms een beetje, een glimp. Maar dat vond hij niet genoeg.

De reis van de zoeker ging daarom weer verder. Hij verliet het bos en volgde de weg naar een nabije stad. Toevallig zat er langs de weg een blinde bedelaar. De zoeker, die een goede inborst had, gaf hem een geldstuk en wilde doorlopen. Maar ineens bedacht hij dat hij aan de arme blinde zijn vraag ook wel stellen kon. 'Waar woont volgens jou God?' De blinde bedelaar zweeg een tijd. 'Ik weet niet zoveel en zeker niet van God', zei hij. 'Het is allemaal zo ingewikkeld en ik ben maar een eenvoudig mens. Ik weet hoogstens dit: God woont in de hand van mijn vrienden.’ De zoeker kuchte ongemakkelijk want hij begreep het niet zo goed. De blinde legde het uit: ‘Mijn vrienden leiden mij elke ochtend hierheen en halen mij elke avond weer op. Zij nemen mij aan de hand. Dankzij hen overleef ik. Hun hand, daarin voel ik iets van de goede God.' De zoeker was stil. Hij bedankte de blinde voor dit antwoord. Daarna keerde hij terug naar huis. Zijn zoektocht was ten einde.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 85-86)