Hoog bezoek*

De stoep voor het stadhuis kreeg een extra schoonmaakbeurt. De koperen knoppen van de deuren werden vlijtig gepoetst tot ze glommen als goud. De burgemeester liet zich door de kleermaker een nieuw pak aanmeten, gemaakt van donkere, deftige stof. Alles werd gereed gemaakt voor het hoge bezoek dat komen zou. Jezus zelf zou naar de stad komen. Wat een eer! Iedereen keek er naar uit. De kinderen hadden op de scholen een lied geleerd dat ze zouden zingen op de grote dag. Ze hadden ook vlaggen gemaakt om ermee te zwaaien langs de kant van de weg. Het beste muziekcorps van de stad zou een concert geven. De hoge onderscheiding die Jezus zou worden opgespeld, een gouden eremedaille, lag al klaar. Alles leek tot in de puntjes geregeld voor dit hoge bezoek.

Jezus en zijn vrienden naderden. Hij besloot één van zijn vrienden alvast vooruit te sturen om te vragen of alles gereed was in de stad. Die vriend was een zwerver geweest. Dat viel nog te zien aan zijn afgetrapte schoenen en zijn rafelige jas. De zwerver liep de stad in en verbaasde zich over al die mensen met hun vlaggetjes langs de kant van de straat. Hij wilde de trap van het stadhuis opklimmen. Twee potige politiemannen hielden hem tegen. Toen hij vertelde dat Jezus hem had gestuurd, lachten ze hem uit. De burgemeester werd erbij gehaald en hij gaf opdracht de armzalige man in de gevangenis te stoppen. Een zwerver in de stad, dat kon niet volgens de burgemeester, zeker niet op zo’n belangrijke dag als deze! Hoe de zwerver ook probeerde uit te leggen dat hij een vriend van Jezus was, hij werd in de cel gestopt.

Jezus was ongerust. Waar bleef zijn vriend? Zou alles wel klaar zijn in de stad? Jezus besloot iemand anders te sturen. Het was een vrouw die hij van een boze geest had genezen. Toen de vrouw in de stad aankwam, verbaasde ook zij zich over alle drukte en deftigheid. Zij vond al die kinderen met vlaggen wel leuk, maar waarvoor was dat? Sommige bewoners van de stad herkenden de vrouw. Was dat niet dat rare mens van vroeger, die vrouw die zo in de war was door die boze geest? Iemand fluisterde: ‘Ze zal vandaag toch geen gekke dingen gaan doen?’ Toen de burgemeester hoorde dat deze vrouw in de stad was, zorgde hij er onmiddellijk voor dat ze werd opgepakt. Ze moest maar een nachtje op het politiebureau blijven. Dat was veiliger. Dan kon ze bij de intocht van Jezus tenminste niks vreemds uithalen. Hoe de vrouw ook tegenstribbelde, ze moest mee en werd opgesloten in een politiecel.

De mensen langs de straat wachtten en wachtten. Wat duurde het lang! Waar bleef Jezus? De kinderen werden ongeduldig. Sommigen lieten hun vlaggen liggen en gingen voetballen. De burgemeester verscheen een paar keer op het balkon van het stadhuis en tuurde in de verte om te zien of Jezus er al aan kwam. De politiemannen stampten op de grond, ze kregen het koud. De avond viel. De mensen begonnen naar huis te gaan en het duurde niet lang meer of de straten waren leeg.

Ook Jezus zag dat het avond werd. Waar bleven zijn vrienden die hij vooruit gestuurd had? Was de stad nog niet klaar voor zijn bezoek?

De volgende morgen stond het met grote letters op de voorpagina van de krant: ‘Jezus is niet gekomen!’ Ernaast stond een foto van de burgemeester in zijn mooie, zwarte pak en met een woedend gezicht. ‘De burgemeester vindt het schandalig’, stond er met grote letters onder. Verderop in de krant, helemaal achterin, in kleine lettertjes, stonden twee berichtjes. Het ene vertelde dat er een zwerver was bevrijd uit de gevangenis. In het andere stond dat er een vrouw was verdwenen uit het politiebureau. Iemand van buiten moest hen hebben geholpen.

Intussen was Jezus met zijn vrienden al weer op weg naar een volgende stad. Misschien dat de mensen daar klaar waren voor zijn komst?


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 65-67)