Hoe de ezel aan zijn witte neus kwam

Het verhaal van Palmpasen (Matteüs 21,1-11; Marcus 11,1-10; Lucas 19,28-44; Johannes 12,12-19) vertelt hoe Jezus niet te paard Jeruzalem binnentrok, als een generaal, maar als een vredeskoning op een nederige ezel. Dit overeenkomstig een oude profetie van Zacharia. Het volgende verhaal is geïnspireerd op een Marokkaans sprookje.

 

De kameel keek wazig in de verte. Hij dacht na. Of zoals hij het zelf heel voornaam zei: ‘Ik overdenk de raadselen des levens.’ De kameel vond zichzelf namelijk heel knap. ‘Ik heb wel twee bulten,’ schepte hij op, ‘een wiskundeknobbel en een talenknobbel, wie kan mij dat nazeggen?’ Vandaar dat hij liever de raadselen des levens overdacht dan dat hij mensen vervoerde, laat staan zware vrachten.

Het paard stapte statig rond. Trots liet hij zijn manen en zijn staart wapperen in de wind. Hij vond zichzelf heel edel. Niet dat hij dat zelf bedacht had, maar dat had hij de mensen horen zeggen: ‘Een paard is een edel dier.’ Het paard was het daar helemaal mee eens. Geroerd door zijn eigen edele voorkomen keek hij vaak in het spiegelende water. Hij was duidelijk geschapen om koningen te dragen, voor koetsen met prinsessen te staan en, als het moest, de akkers van rijke landheren te ploegen.     

De ezel vond zichzelf niet knap en ook niet edel. Hij schepte niet op over zichzelf en hield maar liever zijn mond. Hij wist maar al te goed dat zijn vreemde gebalk zelfs een bejaarde marmot uit zijn winterslaap kon wekken. Als hij in het spiegelende water keek, zag hij een gezicht met een lange neus en konijnenoren. Koningen zou hij niet dragen en nooit voor koetsen staan. Hij liet zich gebruiken om het land van arme boeren te ploegen. Hij droeg alles wat er te dragen viel: brandhout, kinderen, zwangere vrouwen, zieke mensen. Vaak was zijn last zo zwaar, dat hij haast door zijn pootjes heen zakte. Maar geduldig als een ezel kan zijn, hield hij altijd vol.   

Niemand lette op de ezel, behalve de hemel. De engelen zagen hoe de ezel elke dag de mensen diende. Vandaar dat zij besloten dat hij beloond moest worden met een plekje in de hemel. Daar zou hij eindelijk eens kunnen uitrusten van al zijn gezwoeg.

De engelen zorgden er op een goede dag voor dat de ezel langs de deur naar de hemel liep. De ezel was natuurlijk nieuwsgierig. Hij kwam dichterbij en duwde met zijn neus de deur een eindje open. Hij keek naar binnen en zag de hemel: weiden met heerlijk malse klaver, allemaal klavertjes vier; een heerlijk bed van stro, zachter dan het bed van een prinses; beekjes met helder, koel drinkwater, met eroverheen natuurlijk allemaal ezelsbruggetjes. De ezel kon zijn ogen niet geloven. Hij stond op het punt naar binnen te gaan om te genieten van al die heerlijkheden. Maar ineens bedacht hij zich. Wie zou straks Maria, met het kind in haar buik, naar Bethlehem brengen? Wie zou straks de barmhartige Samaritaan helpen om de gewonde man naar de herberg te dragen? En was het niet op een ezel dat Jezus Jeruzalem zou binnenrijden vlak voor het Paasfeest? De ezel hield in. Na nog even te hebben geaarzeld keerde hij zich om en vervolgde zijn weg door de wereld. Hij had er nog zoveel te doen.

Zo ging de ezel door met zijn oude leventje. Toch was er iets veranderd. Toen de deur naar de hemel op een kiertje open stond en de ezel naar binnen keek, was er hemels licht op zijn neus gevallen. Dat licht had de neus van de ezel wit gemaakt. Tot op de dag vandaag is zijn neus wit gebleven. Het is een ereteken voor de ezel, die zo trouw Jezus en zoveel anderen gedragen heeft.