De palmpasenhaan

Dit Palmpasenverhaal (bij Matteüs 21,1-11; Marcus 11,1-10; Lucas 19,28-44; Johannes 12,12-19) is een fantasie over de palmpasenstokken. Waarom staat daar een haantje op?

 

In de hemel staat een werkplaats. In de hoeken van die werkplaats liggen kerstbomen, hulst en paastakken. Op lange planken langs de wanden liggen kerstballen, kaarsen, paaseieren en nog veel meer spulletjes. Door de werkplaats vliegen engelen heen en weer met hamers en zagen. Het is de hemelse werkplaats, waar allerlei versieringen worden bedacht voor de feestdagen.

Boven in de werkplaats is een hokje. Daar hangt een ernstig bordje waarop staat: ‘stilte!’ Met een uitroepteken. Zo ernstig is dat bordje. Dat past ook bij de engelen die in dit hokje zitten. Dat zijn de uitvinderengelen.

Een tijdje geleden stonden de uitvinderengelen rond een tafel. Daarop lag een kruis, met allemaal feestelijk snoep eraan. Ze waren bezig de palmpasenstok uit te vinden. Die was bedoeld voor het feest van de intocht van Onze Lieve Heer, Palmpasen. Daarom hadden ze die stok ook ‘palmpasenstok’ genoemd. Je ziet, die uitvinderengelen dachten heel goed over alles na. Ze stonden rond de tafel met de stok en keken ernstig. Er ontbrak nog iets: een dier dat er bovenop moest. Welk dier moest dat zijn? De uitvinderengelen waren heel stil. Aan het gezoem dat uit hun hoofden klonk, kon je horen dat ze heel ijverig nadachten.

‘Ik denk dat er een leeuw op die stok moet,’ zei de oudste uitvinderengel. ‘Dat staat koninklijk. Onze Lieve Heer was immers een soort koning. Een tikkeltje deftigheid mag wel met Palmpasen.’ De andere engelen zwegen eerbiedig. Het was niet netjes om de oudste uitvinderengel tegen te spreken. Hij had tenslotte de kerstboom uitgevonden en dat is niet niks. Er werd een leeuw gehaald. Toen de leeuw op de palmpasenstok stond, vrat hij al het snoep aan de stok op. En hij brulde akelig hard. Nee, dit dier was niet geschikt. De leeuw kwam niet op de palmpasenstok, ook als was het een idee van de oudste uitvinderengel.

‘Een adelaar?’ stelde een andere uitvinderengel voor. ‘Dat is ook een koninklijk dier. De adelaar past bij een koning als Onze Lieve Heer.’ Toen de adelaar op de palmpasenstok werd gezet, spreidde hij zijn brede vleugels en vloog weg met de palmpasenstok. Boven op een verre berg vrat hij al het snoep op. Nee, ook de adelaar was niet geschikt.

‘De haan?’ opperde de jongste uitvinderengel. ‘Een haan is toch niet koninklijk!’ protesteerden de andere uitvinderengelen. ‘De haan maakt alleen maar mensen wakker.’ ‘O,’ zei de jongste engel, ‘maar ik dacht dat Onze Lieve Heer dat ook deed.’ Dat moesten de andere engelen toegeven. Onze Lieve Heer maakt mensen natuurlijk niet echt wakker, ’s morgens vroeg, maar hij maakt ze wel wakker uit hun dromen van hebzucht en eerzucht. Toch vonden ze het geen goed plan om de haan op de palmpasenstok te zetten. Het idee kwam van de jongste uitvinderengel en het kon dus geen goed plan zijn. ‘En daarbij,’ zeiden de engelen, ‘de haan is eigenwijs. Moet je eens kijken, hij staat altijd met zijn snavel tegen de wind in.’ Ze wezen door een gat in de wolken naar beneden, naar de aarde. Iedereen kon zien dat haast alle vogels met de wind mee vlogen. Maar alle hanen op de kerktorens stonden met hun snavel tegen de wind in. De jongste uitvinderengel liet zich niet uit het veld slaan: ‘Maar Onze Lieve Heer was toch ook eigenwijs? Hij ging zijn eigen weg, wat de mensen ook van Hem zeiden. Daarom staat de haan op de kerktoren altijd met zijn snavel tegen de wind in. Hij is moedig evenals Onze Lieve Heer dat was.’

Daar wisten al die ernstige, verstandige uitvinderengelen niets tegen te zeggen. Zo komt het dat er boven op de palmpasenstok een haan staat.