Mevrouw de Hoop

Pasen, opstanding, leven uit de dood, ze zijn niet te begrijpen. Maar wat een mens niet kan begrijpen, mag hij of zij wel hopen. Daarover gaat het verhaal van Mevrouw de Hoop.

 

Annemarie en Gerard wilden de kerk gaan klaarmaken voor het Paasfeest. Nadat ze hadden geschrobd, gestofzuigd en alles hadden recht gezet, keken ze tevreden rond. Ineens schrokken ze. De vlam van de paaskaars was weg! Waar was de paasvlam gebleven? Gerard keek in de keuken en in de kasten, Annemarie keek in de kelder en op zolder. Maar nergens was de paasvlam te vinden. En morgen zou het paasfeest zijn. Dan moest de paaskaars branden.           

Gelukkig wisten Annemarie en Gerard dat er vlakbij een heel geleerde man woonde. Hij was zelfs hooggeleerd. Hij had wel honderd boeken. Ze belden aan en vertelden over de paasvlam. De geleerde man ging meteen naar zijn boekenkast en zocht eerst in al zijn dikke boeken, toen in zijn gewone boeken en tenslotte in zijn dunne boeken. En ja, in het laatste boek vond hij het. Daar stond het heel duidelijk: ‘De paasvlam komt uit de hemel.’           

Annemarie en Gerard bedankten de o zo geleerde man en keken elkaar aan. Ze moesten snel naar de hemel om de paasvlam op te halen. Maar waar is de hemel? ‘Ergens daarboven,’ dacht Gerard. Hij haalde zijn luchtballon uit het schuurtje en samen met Annemarie steeg hij op om de paasvlam te gaan zoeken. De eerste die ze tegenkwamen, was een meeuw. Waar de paasvlam was? Hij wist het niet. ‘Vraag het aan de vuurvogel, die heeft er meer verstand van.’ Maar de vuurvogel wist het ook niet. ‘Vraag het eens aan die engel op die wolk daar. Die heeft er nog meer verstand van dan ik.’ Gerard en Annemarie vroegen de engel naar de paasvlam. ‘Ja,’ zei de engel, ‘die komt uit de hemel, maar is nu op aarde.’ 'Waar dan?' vroegen Gerard en Annemarie. ‘De paasvlam is bij mevrouw De Hoop’, antwoordde de engel. ‘Recht naar beneden, dan linksaf en tweede straat rechts.’

Annemarie en Gerard lieten hun luchtballon snel weer dalen. Ze gingen linksaf en in de tweede straat rechts stond een bord in een tuin met daarop: ‘Mevrouw De Hoop’. Ze belden aan en mevrouw De Hoop zelf deed open. Nadat Annemarie en Gerard een lekker kopje thee hadden gekregen, vroeg mevrouw De Hoop: ‘Wat kan ik voor jullie doen?’ Gerard was een beetje nieuwsgierig en vroeg waarom ze mevrouw De Hoop heette. ‘Dat komt,’ vertelde zij, ‘doordat ik altijd zit te hopen. Dat doe ik graag.’ ‘Wat doet u dan met die hoop?’ vroeg Annemarie. ‘Nou, gewoon, als er mensen verdrietig zijn, dan ga ik hoop brengen, zodat ze weer blij worden. Als er op een school ruzie is, strooi ik wat hoop rond en hoop ik dat de kinderen het weer goedmaken. In de winter heb ik het heel druk. Dan breng ik hoop naar alle kale bomen en struiken, zodat ze gaan hopen dat het lente wordt en hun bladeren weer gaan groeien. Vroeger hielp mijn man me daarbij. Maar ja, die is een paar jaar geleden gestorven. Ik hoop dat hij op een goede plek is, in de hemel.’ Annemarie dacht na: ‘Maar hoe kan iemand die dood is dan weer leven in de hemel?’ De vrouw glimlachte: ‘Dat begrijp ik ook niet, maar wat ik niet begrijp, kan ik nog wel hopen. En als het mij soms niet lukt om dat te hopen, helpt dat vlammetje op die kaars mij ermee.’

Ineens zagen Gerard en Annemarie de kaars in de hoek van de kamer. Met daarop de paasvlam! ‘Die hebben we nodig, voor morgen, het paasfeest,’ riepen ze. ‘Natuurlijk,’ zei mevrouw De Hoop, ‘een paasfeest zonder paasvlam kan niet. Neem maar mee.’

Dankbaar gingen Annemarie en Gerard weg. Bij het weggaan hield mevrouw De Hoop hen nog even tegen: 'De mensen in de kerk weten toch wel dat dit een heel bijzondere vlam is? De paasvlam kan niet alleen branden op de paaskaars, maar ook in ieders hart!’