Meneer Maartens en de zegen

Meneer Maartens had het altijd druk. ‘Wie het niet druk heeft, heeft te veel tijd,’ zei hij altijd. Dat was een flauwe opmerking, maar daar dacht hij niet over na. Meneer Maartens vond dat hij te weinig tijd had om over tijd na te denken.

Eens was hij tijdens de middagpauze naar het park gegaan. Hij wilde er ongestoord zijn boterhammetje eten zodat hij weer snel naar kantoor zou kunnen gaan. Naast hem kwam een dame op het bankje zitten. Ze leek niet jong en niet oud. Meneer Maartens wilde weggaan want hij vond het niet netjes om naast een andere dan zijn eigen vrouw te zitten. Maar de vreemde dame begon tegen hem te praten: ‘Dat viel niet mee, maar eindelijk heb ik je eens ingehaald.’ Meneer Maartens keek verbaasd naar de dame. ‘Wie bent u?’ ‘Ik ben de zegen.’ ‘De zegen?’ herhaalde meneer Maartens. ‘Ja, die is jou en ieder mens meegegeven. Een aardigheidje van de hemel. Jammer dat je mij nooit opmerkte.’ Meneer Maartens vond dat dit gesprek wel heel veel tijd kostte en daarvoor had hij geen tijd. Hij stond op en vroeg streng: ‘Mevrouw de Zegen, hebt u niets beters te doen dan ijverig kantoorpersoneel te achtervolgen?’ ‘Jawel,’ zei de dame, ‘ik schenk ieder mens de toekomst.’ Zij keek meneer Maartens aan en hij zag ogen die hij nog nooit had gezien. Alsof alle toekomst van de wereld in die ogen lag. En het was alsof die toekomst binnen in hem ging zitten. Rustig werd het binnen in hem, en stil. En meneer Maartens deed iets waar hij zich later diep voor schaamde, maar het voelde heerlijk: hij lachte.

Meneer Maartens probeerde het voorval in het park zo gauw mogelijk te vergeten. Hij werkte van de vroege ochtend tot de late avond en zelfs nog een beetje langer. Voor zijn vrouw bestelde hij mooie jurken en handdoeken bij een postorderbedrijf. Hij spaarde zelfs voor een autootje voor haar verjaardag. Maar de dag na haar verjaardag reed mevrouw Maartens met haar autootje weg en kwam nooit meer terug. Meneer Maartens was ten einde raad. Wie moest zijn overhemden wassen en strijken? Moedeloos ging meneer Maartens aan de keukentafel zitten. Plotseling zat de dame, niet jong en niet oud, naast hem. ‘Zo Maartens, zit het tegen?’ Meneer Maartens draaide zich naar haar toe en wilde vertellen dat hij geen toekomst meer zag. Maar toen hij in haar ogen keek, leek het alsof de toekomst in haar ogen lag. Waar geen weg meer leek te zijn, zag hij ineens nieuwe wegen lopen. Meneer Maartens deed weer iets geks: hij lachte.

Het was vele jaren later. Meneer Maartens had het nog druk. Met oud zijn. Hij lag in bed en wist dat het einde van zijn welbestede leven naderde. De dame, niet jong en niet oud, kwam naast hem zitten. Meneer Maartens keek haar aan. Hij zag verwonderd hoe de toekomst in haar ogen lag en heel dichtbij leek. Moeizaam kwam meneer Maartens overeind en stapte over de rand van de toekomst; een toekomst die geen mens je kan geven, alleen de hemel kan dat. Hij voelde zich jonger worden. Het was alsof hij in het licht zweefde. Nog nooit had hij zich zo licht gevoeld. Hij lachte en voelde zich een gezegend mens.