Lucia

In het Evangelie van Johannes wordt over de geboorte van Jezus op een geheel eigen manier gesproken. In Johannes 1,1-5 wordt de komst van Christus aangeduid als de komst van het licht der wereld. Daar wordt ook gesproken over het donker dat het licht bedreigt. De bedreiging van het licht door het donker is uitgewerkt in het verhaal over Lucia.

 

Iedereen die Lucia zag of hoorde, voelde zich lichter van binnen. Lucia was een vrolijk meisje, dat graag grapjes maakte, kunstjes deed en lachte. De mensen zeiden: 'Het is net alsof Lucia een beetje licht geeft.' Maar de dieren wisten het beter: Lucia wás het licht.

Iedereen hield van Lucia. Behalve koningin Duisternis. Die hield alleen van het donker. Vandaar dat ze altijd zwarte jurken droeg, een grote zonnebril ophad en de gordijnen altijd dicht hield. Koningin Duisternis had zo’n hekel aan Lucia, dat zij besloot om haar gevangen te zetten. Waar? Op een donkere plek natuurlijk. Lucia werd opgesloten in een kelder van het paleis, helemaal onderin, waar geen mens haar zou kunnen bevrijden.

Maar wat mensen niet kunnen, kunnen sommige dieren wel. De wormen leven diep in de aarde. Ze groeven een gang naar de diepe paleiskelder. Nu zul je je afvragen: ‘Kan een meisje door een wormengangetje ontsnappen?’ Maar Lucia was een beetje een wondermeisje. Dat kwam door al dat licht van haar. Ze nam een aanloopje en floepte zo door het wormengangetje naar buiten. Ze gaf de wormen die haar bevrijd hadden een zoentje uit dankbaarheid. Het was een heel lief zoentje en de wormen glommen van plezier. Sindsdien kennen wij hen als glimwormen.      

Koningin Duisternis zag door de kieren van haar gesloten gordijnen wat licht komen. Ze begreep meteen dat Lucia weer vrij rondliep. Haar boze, donkere hart besloot Lucia op te sluiten in het onderwaterpaleis. Daaruit zou geen mens haar kunnen bevrijden.

Maar wat mensen niet kunnen, kunnen sommige dieren wel. De vissen leven in het water en konden gemakkelijk naar het onderwaterpaleis zwemmen. Ze rammelden aan de oude, halfvergane paleisdeuren, die gemakkelijk opengingen. Lucia zwom naar buiten en gaf de vissen een zoentje uit dankbaarheid. Het was een heel lief zoentje en de vissen werden goudoranje van plezier. Sindsdien kennen wij hen als goudvissen.

Koningin Duisternis merkte dat er wat licht achter haar zonnebril viel. Ze begreep het meteen: Lucia was weer ontsnapt. Er zat maar een ding op. Zij stuurde de soldaten op haar af. Lucia moest uit de weg worden geruimd. Er was geen plaats voor haar op deze wereld.     

De dieren vonden dat ook. Niet om Lucia kwijt te zijn, maar om haar te redden. Ze besloten om Lucia in veiligheid te brengen in de hemel. Nu kunnen de vogels niet zo hoog komen. Maar wel de kleine vliegjes. Zij namen samen Lucia op hun rug en brachten haar veilig naar de hemel. Lucia gaf hun bij het afscheid een zoentje. Ook dit was een heel lief zoentje en de vliegjes werden vuurrood van plezier. Sindsdien kennen wij hen als vuurvliegjes.

Lucia was nu wel ontsnapt aan koningin Duisternis. Maar de mensen en de dieren misten haar erg. Het was zo donker geworden op aarde. Ieder verlangde naar haar. Lucia begreep dat verlangen wel. Vandaar dat zij haar licht gaf aan de zon en de sterren. Zo straalde Lucia’s licht overdag en ’s nachts op aarde. Dat was mooi. Maar het licht van zon en sterren was wel erg ver weg. De mensen en de dieren wensten dat het licht nog wat dichterbij kon komen. In de hemel begrepen ze die wens ook. Vandaar dat vanaf toen alle kinderen die geboren werden een beetje licht in zich droegen. De een wat minder, de ander wat meer. Sommige mensen hebben zelfs heel veel licht in zich. Ken jij zo iemand?