Wat gebeurde er met het wierook, de mirre en het goud?*

‘Vreselijk, dat ons dit moest overkomen! Eerst die lange reis in stinkende kameeltassen. Dat gehobbel door de woestijn, door de hitte, helemaal vanuit het Oosten. Nou ja, toen behoorden we tenminste nog toe aan een paar voorname wijzen. Maar wat er daarna gebeurde! We kwamen aan bij een nederig huisje in een onaanzienlijk dorp. Betlehem heette het gat, meen ik. Daar werden we uitgeladen en het huisje binnengedragen. Toen werden we tot onze schande – ik durf het haast niet te zeggen – cadeau gedaan aan een pasgeboren kind in een armzalig houten bedje. Wat keken zijn ouders raar op toen ze ons zagen. De vader was een heel gewone timmerman en zijn vrouwtje was, naar de mensen rondfluisteren – en zij kunnen het weten - al zwanger geweest vóór haar huwelijk. Aan een kind van zulk soort mensen werden wij, potten vol deftige wierook, mirre en goud, overgedaan. Voor we het wisten, kwamen wij op een ruwe plank in een piepkleine keuken te staan. Stel je voor, wij, de adelijkste en duurste kostbaarheden die er maar zijn!’

Zo kwamen de wierook, de mirre en het goud in het huis van Jozef en Maria. Wat zij er mee deden? Jozef droomde van een nieuwe werkplaats en nieuw gereedschap. Maria droomde van een groter huis met een mooie groentetuin. Maar op een dag kwam er een arm familielid op bezoek met een zielig verhaal. Eén van de kinderen zou ziek zijn geworden en er was geen geld voor de dokter. Maria en Jozef waren goedhartig, een beetje te goedhartig misschien. Zij hebben toen de pot met wierook verkocht aan een koopman en het geld dat ze ervoor kregen aan dat familielid gegeven. Al gauw daarna kwamen andere familieleden bij hen langs, natuurlijk ook met zielige verhalen. Jozef en Maria hebben toen in hun goedheid ook de andere potten aan de koopman verkocht en het geld dat ze ervoor kregen, weggegeven. De wierook, de mirre en het goud hebben dus niet lang in hun kleine keuken hoeven te staan. Waar ze terecht kwamen? De koopman die de potten had opgekocht, leverde vaak aan het hof. Zo kwamen de potten met wierook, mirre en goud uiteindelijk in het paleis terecht, in het paleis van koning Herodes.

‘Gelukkig maar, vrinden, eindelijk zijn wij op de plek waar we horen’, zei de pot met goud. ‘Zeg dat wel’, antwoordden de potten met mirre en wierook. ‘Hier horen we thuis. Wij zijn van adel en horen nu eenmaal bij een koning in de schatkamer te staan. Daartoe zijn wij op aarde. Het is te hopen dat men ons nu met rust laat zodat wij kunnen genieten van onze eervolle plaats in het paleis.’

Plotseling klonk er een hoop lawaai. Luide stappen naderden de schatkamer. De deur zwaaide open en koning Herodes stormde naar binnen. Hij schreeuwde dat hij die wijzen uit het Oosten zou vierendelen als hij hen in handen zou krijgen. Ze hadden toch beloofd terug te zullen keren na hun bezoek aan dat kind in Betlehem. Maar via een omweg waren zij stiekum al naar het Oosten teruggekeerd. Ziedend was de koning. Van nijd pakte hij een glazen vaas en wierp die aan gruzelementen. In blinde woede pakte hij een marmeren beeld en gooide het tegen de muur. Toen zag hij de drie potten staan. Hij smakte de potten vol wierook, mirre en goud op de grond. Zo koelde hij zijn woede. De schatkamer werd een puinhoop. De dienaren hadden dagen werk om alles weer op te ruimen.

De potten wierook, mirre en goud stonden uiteindelijk weer op hun plank. Zij wreven over de pijnlijke scheuren in hun wanden. Hun adelijke stemmen klonken nu klagelijk: ‘Wat is er gebeurd? Het lijkt wel alsof sinds dat bezoek aan Betlehem alles anders is geworden. Alsof de wereld op zijn kop staat. Wat is daar in Betlehem in hemelsnaam gebeurd?’