Het rode beestje*

De os, de ezel, de schapen, alle dieren keken meewarig naar de kribbe. Als ze vingers hadden gehad om hun oren dicht te stoppen, dan hadden ze dat gedaan. Wat huilde de kleine Jezus in de kribbe! Jozef en Maria probeerden onze kleine lieve Heer te troosten. Waarom huilde hij zo? Ze wisten het niet.

Het rode beestjes in de hoek van de stal wist het wel. Hij was heel klein en wist wat de andere kleine beestjes in de stal uitvoerden. Het waren de vlooien, die maakten Jezus aan het huilen. Zij zaten overal in die vuile stal en in het vuile stro. Zij staken het kleine kind. Vandaar dat het huilde.

Het rode beestje kon het gehuil van onze kleine lieve Heer niet meer aanhoren. Het liep naar de kribbe, zette een bars gezicht op en sprak de vlooien streng en bestraffend toe. Maar die lachten hem uit. ‘Laat ons toch, het ligt nu eenmaal in onze aard om mensen en dieren te steken.’ De vlooien gingen gewoon door en letten niet op het rode diertje.

Maar het beestje had zo’n medelijden met de pasgeboren baby. ‘Goed dan, ik weet iets beters, ik geef jullie ieder een goudkorreltje als je ophoudt dit kind te steken.’ De vlooien lachten hem voor de tweede keer uit. ‘Goud kan je niet eten. We geven niet om rijkdom. Dat doen alleen de mensen. Wij zijn geen mensen, wij zijn vlooien. Daarom doen we wat vlooien moeten doen: mensen en dieren steken.’

Het rode beestje wist niet meer hoe hij de baby kon helpen. ‘Hoe kan ik er dan voor zorgen dat jullie onze lieve Heer niet meer steken?’ vroeg hij aan de vlooien. De vlooien onderbraken hun gesteek en dachten na. ‘Hmmm,’ zei een dikke zwarte vlo, ‘als ik nu eens op jouw rug een ritje zou mogen maken, dan zal ik ophouden dit kind te steken.’ De andere vlooien klapten in hun vlooienhandjes. ‘Ja, als we een ritje op jouw rug mogen maken, dan zullen we ophouden met steken.’

Vanaf die dag sjouwt het rode beestje rond met vlooien op zijn rug. Je ziet hem soms nog steeds lopen. Hij is rood met zwarte stippen. Iedereen is hem dankbaar dat hij onze lieve Heer heeft geholpen. Vandaar dat het rode beestje een mooie naam heeft gekregen, een erenaam: ‘Lieveheersbeestje’.


(Uit: Stephan de Jong, Verhalen van het goede leven, Veertig verhalen over gulheid, wijsheid en hoop, Kok, Kampen, 2005, pp. 36-37)