Een traan van licht*

Eeuwenlang had het licht de aarde, de mensen, de dieren en de planten beschenen. Overdag was het er geweest als het licht van de zon, ‘s nachts had het geschenen als het licht van maan en sterren. Waar geen zon of maan kon doordringen, was het aanwezig geweest als het licht van een kaars of een olielamp. Maar nu stond het besluit van het licht vast. De tijd om voorgoed te vertrekken was gekomen. Het licht besloot om weg te gaan en nooit meer terug te keren.

Niet de dieren hadden het ernaar gemaakt. Ook niet de planten. De mensen waren het die het ernaar gemaakt hadden. Zij deden dingen die het daglicht niet konden velen. Mensen lieten het duister toe in hun hart in plaats van het licht van de liefde. In hun hoofden weefden zij duistere hersenspinsels in plaats van heldere, kleurrijke gedachten. Dat had het licht doen besluiten om te vertrekken. Als niemand in het licht wilde wandelen, zou ieder dat voortaan maar in het donker moeten doen. Het licht begon de terugtocht. Het keerde weer naar de plek vanwaar het gekomen was: de hemel. Op aarde bleef alleen het donker; het donker van een eindeloze nacht.

De mensen dachten eerst dat het licht wel terug zou komen. Maar de nacht kende geen einde, de dag brak niet meer aan. De mensen werden ongerust. Zij zochten elkaar op en overlegden hoe het licht zou kunnen worden teruggehaald.

De generaals kwamen met een plan. Zij stelden voor dat de moedigste soldaat van het leger de hoogste berg van de wereld zou beklimmen. Daar, op de top van de berg, zou hij dicht genoeg bij de hemel zijn om met het licht te kunnen praten. Hij zou vertellen hoe nuttig en nodig het licht was. Het kon haast niet anders of het licht zou door zijn smeekbede van gedachten veranderen en terugkeren. Maar toen de soldaat hoog op de berg was aangekomen en met het licht sprak, zag het licht hoeveel trots en hoogmoed er in zijn hart verscholen lagen. Het licht keerde zich van hem af en bleef ver weg in de hemel.

Daarop kwamen de priesters met een voorstel. Als alle kinderen een groot koor zouden vormen en het licht zouden toezingen, zou dat het licht niet milder stemmen? Het licht kon misschien een soldaat weigeren terug te komen, maar toch niet kinderen? Juist kinderen leden het meest onder het duister. Maar toen de kinderen stonden te zingen, zag het licht hoe zij elkaar duwden, knepen en ruzie maakten. Het licht bleef bij zijn besluit om niet terug te keren en in de verre hemel te blijven.

Het was ergens in een stal, ver weg van de generaals en de priesters, dat zich een man en een vrouw ophielden. De man keek bezorgd. Zijn vrouw had hevige pijn in haar buik. Het moment was gekomen dat hun kind zou worden geboren. Maar hoe moest dat in het diepe duister? De man wist het niet, hij was wanhopig. Hij keek naar de donkere hemel en sprak tot het onzichtbare licht: ‘Ik begrijp dat soldaten u niet kunnen terugbrengen, ik begrijp dat kinderen die gemeen doen u niet kunnen terughalen, maar een kind dat geboren gaat worden, wat heeft dat voor kwaad gedaan? In een kind dat geboren wordt, leeft toch nog geen duisternis?’ Toen het licht de woorden van de man hoorde, ontroerde het licht. Juist op het moment dat het kind geboren werd, viel een traan van licht uit de hemel. Het kwam terecht in de stal. Vanuit die stal met het kind begon het licht zich weer uit te spreiden over de aarde. Zo keerde het licht weer terug.

Nooit meer is het licht weggegaan. En nog steeds, als ergens een kind wordt geboren, valt er een traan van licht uit de hemel.


(Uit: Stephan de Jong, De droom van de generaal en andere verhalen bij thema’s uit de bijbel, Kok, Kampen, 2002, pp. 37-38)